bewegen

Ik kwam aan in De Nieuwe Liefde, waar Campert zijn poëzie zou voordragen. De zaal zat al grotendeels vol. Ik ging na hoe goed de plek was waar ik ging zitten; ik zag het scherm, de microfoon, de tafel waaraan hij zou gaan zitten, zijn achterhoofd (vooraan zittend in de zaal).

Ik betrapte mezelf erop dat ik veel naar zijn achterhoofd keek.

We zagen het filmpje Ode aan de traplift. Ik glimlachte en moest slikken. Aan het eind van het filmpje kon ik mijn tranen moeilijk bedwingen. Er zat een man voor mij, verstild. Zijn vrouw (denk ik), links naast hem zittend, zei hem zacht: ‘Mooi, heel mooi.’ De man knikte maar bleef voor zich uit kijken.

Het leek me lastig om 85 te zijn, maar er was altijd nog een traplift. Ook daarin kon dus poëzie schuilen.

Campert liep verschillende malen het podium op en af, ondersteund door de gastheer. De eerste maal nog met wandelstok, later niet meer. Hij droeg gedichten voor, van When we were very young tot Licht van mijn leven. Over deze middag zei hij: ‘Hier kom ik krachtiger uit dan ik erin kwam.’

Ik dacht aan het werk dat ik van hem las, zijn columns. Eén column van hem bewaar ik. De column is blanco. Onderaan de column staat: REMCO CAMPERT IS MET VAKANTIE.

Campert VK 3

Toen ik een paar dagen na het optreden een rondje door de stad liep, schoot me iets te binnen: Remco Campert is altijd onderweg.

Het lijkt alsof Campert constant meereist met de tijd, met wat er om hem heen te vinden is, met zijn eigen lichaam, met het leven zelf. Leven als een bijna onoverwinnelijk werkwoord waarvoor hij woorden zoekt om het toch even te verstillen, te omvatten.

Zijn graf is al besteld, zei Campert in een gesprek voor VPRO Boeken begin 2013. Maar zijn gedichten bewegen zich over de dood heen.