#56 kat

Ik zit in Bar Chomsky, aan de bar. De barman zegt dat Aldis vanaf de opening deze bar al bezoekt.

Aldis is een gedrongen man en heeft een grijze snor. Alle andere mensen hier zijn een stuk jonger dan hij. Aldis verloor dit jaar zijn hond en zijn vrouw. Zijn dochter is in Riga komen wonen, waar hij blij mee is.

Hij heeft nu net de bar verlaten om zijn kat eten te geven. Ik zei hem dat het mooi was dat hij samen met zijn kat is. Hij keek verbitterd: ‘Cat is no wife.’ Aldis verontschuldigde zich meerdere keren voor zijn gebrekkige Engels. We groetten innig voordat hij naar zijn kat terugging.

Ik zeg tegen de barman dat Aldis een aardige man is. De barman zegt dat hij wel eens met zijn vrouw komt, of dat zijn vrouw langskomt om hem mee naar huis te nemen.

Ik vertel de barman dat zijn vrouw overleden is in februari.

Hij schrikt ervan; hij lijkt na te gaan of het klopt.

Dan moet hij weer door met de klanten voorzien van drank.

Cat is no wife. Ik probeer voor me te zien hoe Aldis zijn kat groet, eten geeft.

Ik heb niet echt een reden om naar de camping te gaan. Er is geen kat die mij nodig heeft, of een vrouw die mij binnenroept.