#28 bus

We reden met Bob mee in zijn Mercedes. Naar Auschwitz. Hij heette Bob voor toeristen. Toen we er bijna waren, zei hij: ‘Here, old house of commandant Rudolf Hess, nr. 88.’ Er woonden weer mensen.

Er woonden ook weer mensen in Auschwitz.

De gids in het kamp zelf begon haar zinnen vaak zo: ‘hou in gedachten dat…’

Ik zag de foto’s die voor administratie werden genomen. De plukken haar, tandenborstels, protheses, krukken, scheerkwasten, potjes schoensmeer, Niveacrème, de kinderschoentjes. De koffers. Eén koffer:

L. Grootkerk.

11-10-‘05

Holland.

 

Ik drukte op de knop. Het was de enige foto die ik maakte in het kamp.

Wat rook je hier allemaal, L.? Speelde je trompet? Had je nog liedjes in je hoofd? Welke? Keek je soms in Duitse ogen?

Ik dacht weer aan het gedicht van Szymborska, dat ik ook voorlas aan Ton en Hetty:

De naam Nathan beukt met zijn vuisten

en als krankzinnig zingt de naam Izak,

de naam Sara roept ‘water!’ voor de

naam Aaron, een naam die sterft

van de dorst.

 

Bob reed ons terug, liet ons een foto zien van gevangene A-486. Hij had een ingetogen lach op de foto, staand naast Bob en vier Schotse toeristen.

A-486 was er nog.

Bob reed al duizenden keren naar Auschwitz. En terug.

Ik was blij dat we met hem waren meegereden en niet in een volgepropte bus zaten.