#24 winnen

Soms ontmoet je iemand waar je graag bij in de buurt wilt zijn, waar je aan vraagt: wat ga je morgen doen?

Ik had het bij Klaudia, de receptioniste van de camping in Częstochowa. Ze las een boek over de futuristische stroming in poëzie. We raakten aan de praat. Ze gaf me culturele tips voor de dag.

Ik bezocht het Paulinerklooster voor schilderijen van Duda-Gracz, die episodes van de kruisiging van Jezus lieten zien. Daarop zag ik vooral een geblinddoekte kardinaal, wegkijkende mensen, kindsoldaten, prostituees, dode baby’s, maar ook een prachtig herrijzende Jezus. Na ook nog een expositie met surrealistische, onheilspellende werken van Beksinski te hebben bezocht, was ik toe aan eten en rust.

In een cultureel centrum, waar zich ook een bioscoop in bevond, bestelde ik ijs en frisdrank en schreef de laatste twee reisdagen aan elkaar in mijn dagboek.

Het regende buiten. Ik dacht aan Klaudia.

Toen ik rennend terugkwam bij de receptie, vroeg ik of ze met me naar de film wilde: Nebraska. In Polen, bleek, zijn de films gewoon ondertiteld.

Klaudia moest nog werken, tot acht uur. De film begon al om halfzeven. De volgende dag was ze vrij, maar dan zou ik alweer onderweg zijn.

We namen alvast afscheid.

Het was jammer; we waren allebei benieuwd of Woodrow Grant de miljoen dollar zou krijgen, die hij gewonnen denkt te hebben omdat een advertentie dat zegt; de miljoen dollar die hij 1000 mijl verderop gaat ophalen met zijn zoon, die de naïviteit van zijn vader toch voor lief neemt en het avontuur aangaat.

Ik zag de film toch, in een brede zaal met een donkere parketvloer en met rood velours beklede stoelen. Ik dacht gedurende de film aan mijn vader en zijn smsje, waarin hij zonder interpunctie schreef:

wij zijn trots op je en ik niet het minst vooral blijven genieten vati

Woodrow Grant zegt op een gegeven moment tegen zijn zoon: ‘Ik wil alleen een nieuwe truck. En ik wil de rest aan jullie geven, iets nalaten voor jullie.’

Woodrow wint geen miljoen dollar.

Hij krijgt een truck van zijn zoon.

Ik vroeg me af wat ik mijn vader later zou kunnen geven. Ik krijg altijd spullen van hem. Hij leende mij zelfs zijn fiets, voor deze reis.

Na de film liep ik terug naar huis. De filmmuziek (van Mark Orton) bleef in mijn hoofd zitten. Toen ik langs de parkeerplaats terugliep naar de camping kwam Klaudia aangefietst. We stopten.

‘En?’ vroeg ze.

‘Ik vind dat Woodrow wint,’ antwoordde ik. ‘Wat ga je morgen doen?’

We konden nog veel langer praten. Over de film, vaders misschien.

De lucht was donker. Ik wilde haar niet ophouden.