#21 kont

Tijdens een etentje bij een café liet ik Ton en Hetty, twee lieve mensen uit Loppersum die naast mij staan op camping Olimpijski, het gedicht Steeds lezen van Szymborska.

Ton zei: ‘Door die Joodse namen weet je waar het over gaat.’ Toen las hij weer verder.

Hetty zei aan het eind: ‘Ja, ja, mooi. En triest.’

Ik wilde ze vertellen waarom ik dit gedicht zo goed vond, waarom Szymborska schreef hoe ze schreef, maar het lukte niet goed. Ik vroeg me af of ik het gedicht niet beter het gedicht had kunnen laten.

Ik dacht aan een uitspraak van Tons vader, waarover Ton mij vertelde op de avond dat ik voor het eerst aanschoof bij hun caravan: achteraf is een koe in de kont kieken.

Terwijl ik het boek over Szymborska wegstopte, vroeg ik hoe het tripje met de auto was gegaan.

‘Nou, we konden het niet echt vinden,’ zei Hetty.

‘Maar de weg terug is wel gelukt,’ vulde Ton aan.

Ik vond het mooi dat ze hier waren, helemaal in Wroclaw. Samen met mij.