#48 baan

Er zat een medefietser aan het ontbijt. Hij had een gedrongen postuur, droeg een goede sik en een staart. Hij leek niet op een echte fietser.

Hij vertelde dat hij een aanstelling had als wiskundeleraar op een universiteit in Lyon; een dag na de laatste werkdag stapte hij op de fiets, een dag voor het nieuwe universiteitsjaar kwam hij weer thuis.

Hij zei dat hij soms een hotel nam om reclames te kijken; door reclames te kijken kon je veel leren over een land. Ik had het idee dat ik veel leerde door met mensen te praten.

Hij hield niet van steden. Ik vroeg hem waarom. ‘Omdat het moeilijk is om er weer uit te komen,’ antwoordde hij. Hij had daarom een hekel aan Hamburg.

Ik vroeg me af waarom hij überhaupt in Lyon woonde. Ik durfde het niet te vragen.

Hij vroeg wat ik voor baan had. Ik zei dat ik mijn baan had opgezegd.

‘Je hebt je baan opgezegd voor twee maanden fietsen?’

‘Nee,’ antwoordde ik, ‘ik heb mijn baan opgezegd om iets anders te gaan doen.’

Toen hij zijn ontbijt ophad en naar zijn kamer terugging, zei hij: ‘Ik zie je nog wel.’

Als je onderweg bent kan je altijd zeggen: ‘ik zie je nog wel.’

Deze man hield er niet van om thuis te zijn. Ik wil niet altijd onderweg blijven.

#47 uur

Vandaag fietste ik naar de stad Marijampole. Ik wachtte onweer af, fietste door regen, kreeg weer zon terug. Kreeg een nieuw land, met een nieuwe taal, nieuwe gezichten en rijgedrag, zag en voelde andere wegen en munten.

Ik moest nog avondeten halen. Günther, de receptionist van het hotel, vertelde mij dat er driehonderd meter verderop nog een Maxima open was, tot tien uur.

Op mijn slippers slofte ik naar buiten, had een grote handwas gedaan, was moe van het wringen. Ik keek op mijn telefoon. Het was 20:41 uur.

Nadat ik de overvloed aan eten op de band had gelegd en bij de kassa aankwam, gingen de meeste lichten uit.

Ik keek op de klok van het pinapparaat; het was al 22:00 uur in Litouwen. Op mijn telefoon was het 21:00 uur. Geen seconde had ik aan tijdszones gedacht.

Ik besefte dat ik een uur van mijn leven had afgefietst.

#46 denken

Ik hield het liedje van Sun Kil Moon in mijn hoofd: Can’t live without my mother’s love.

Ik dacht aan mijn moeder en aan de zin: laten we allebei geen gekke dingen doen.

In de avond stuurde ze via Whatsapp een reactie op het gefotografeerde geluksbriefje. Een briefje dat ik vanochtend uit het doosje haalde dat ik van mijn zus kreeg, speciaal voor mijn reis: onderneem iets dat je geen kans van slagen geeft

Ik vond het nogal een negatief briefje, in vergelijking met alle eerdere briefjes die ik uit het doosje had gehaald.

Mama zei op de app: alleen het denken werpt grenzen op. Dus we moeten onze gedachten niet geloven. Soms denk ik dat mama vooral daarmee bezig is; haar gedachten niet te geloven.

Ik vraag me af waar ze denkt dat ik mee bezig ben.

Ik moet haar niet beloven dat ik thuis kom; ik moet haar gewoon laten zien dat het mogelijk is.

Het wordt tijd dat ik ook voor haar ga zorgen, niet alleen andersom.

#45 minuut

Ik reed terug, niet door. Ik had geleerd van de eerdere onweersbui. Ik mocht schuilen bij het huis waar ik eerder nog de weg vroeg.

Je kan dus gewoon teruggaan.

Na bier, ijs, vreemde stiltes en fijne gesprekken, brachten de jonge jongens die hier in de zomer bij hun oom meehelpen op het land mij weer op de goede weg richting Ełk. Op de fiets.

Door alle regen dat op het warme asfalt was gevallen, rook de weg als nieuw.

Het was haast te veel even; alle gastvrijheid, de fijne dingen van de dag.

Ik keek naar de bloemen langs de weg, en weer naar de weg zelf.

Ik had een minuut geen weg gezien, terwijl ik wel doorfietste. Zoals je wel eens een boek leest terwijl je denkt aan wat je gaat eten, of wat je zag, of verzekeringspapieren, en niet meer weet wat je gelezen hebt. Maar dit was anders.

herstel

Achttien maanden, dacht Stijn. Achttien maanden waren er nodig geweest om het werk Black on Maroon (1958) van Mark Rothko te restaureren. De afbeelding van het schilderij op de website van Tate Gallery maakte op hem niet echt indruk; daarvoor moest hij misschien naar het museum zelf gaan.

De bekladder van het schilderij, een Poolse kunstenaar en mede-ontwikkelaar van het yellowisme, moest voor deze actie anderhalf jaar achter de tralies. Hij nam afstand van zijn daad; stelde dat vandalisme en zijn kunstvisie niets met elkaar te maken hadden.

Nu Stijn die visie las, vond hij de straf nogal een opoffering geweest: kunst wordt alleen als kunst gezien wanneer deze zich in de context van een galerie bevindt. Door een gele, fysieke context buiten de galerie te creëren (een chamber) en kunstobjecten daar te exposeren is het mogelijk de kunst tijdelijk van zijn betekenis te ontdoen. Binnen deze context worden alle interpretaties gereduceerd tot één: yellow. Door yellowisme te zien als kunst of anders dan alleen yellow wordt yellowisme van zijn enige doel beroofd. Er bestaat geen vrijheid van interpretatie binnen yellowisme; alles gaat over niets meer dan yellow.

Gelukkig was er nog de vrijheid om een dergelijke chamber wel of niet binnen te gaan, dacht Stijn.

Hij zocht het krantenknipsel op over de restauratie. Het werk van Rothko was rechts onderin beklad met de tekst: a potential piece of yellowism. Stijn vond het niet kunnen, maar inhoudelijk wel in lijn met de opvattingen van de kunstenaar. Alleen was het schilderij nu zelf bezoedeld en niet meer het kunstobject zoals het in die galeriecontext behoorde te zijn; had de kunstenaar door het doek zelf te veranderen zijn eigen visie onderuit gehaald? Misschien had het beter geweest de tekst (plus uitleg) als tekstbordje naast het werk te plakken.

Stijn keek naar de foto waarop medewerkers van het Tate het gerestaureerde schilderij terug hingen. Hij vroeg zich af hoe hij het werk van Rothko nu zou ondergaan, met in het achterhoofd dat er een flinke restauratie aan te pas was gekomen om het kostbare werk weer in originele staat te krijgen. De restauratoren maakten zelfs een kopie van het schilderij (gemaakt van onder meer olieverf, synthetische hars, eieren en lijm) en bekladden dit met eenzelfde stift. Toen zij erin slaagden deze kopie te herstellen, durfden zij de echte Rothko te restaureren.

Stijn was benieuwd. Hij zou willen zien, of je er niks van zou zien.

#44 vader

Het is vroeg. We eten ei, met kruiden uit de tuin. De resten geven we aan de kippen.

Ik vraag aan Wozniek of de garage open mag, zodat mijn fiets weer naar buiten kan. Het is de garage waar ik gratis op een matras slapen mocht.

Ik kan niet anders dan ze omhelzen als ik vertrek. Janek lacht. Hij is wat terughoudend. Ik zie nog één keer zijn tatoeage: P.S.M. (Pamiętaj Słowa Matki). Het heeft iets te maken met zijn moeder. Ik zie nog voor me hoe hij niets zeggen kon, toen ik vroeg waar de letters voor stonden.

Dan Wozniek, in het zwart, met zijn zweterige haren. Als zijn hoofd de mijne raakt met een soort goedkeurend knikje, voelt het even alsof mijn vader dichtbij is.

Maar voordat ik ga, willen ze nog even de discobal en geluidsinstallatie laten zien en horen in de garage.

Als ik op mijn fiets zit en nog eenmaal omkijk, zijn de twee vrienden alweer binnen.

Ik heb Woznieks adresgegevens stiekem gefotografeerd, van een brief die hij van de postbode kreeg. Ik ga zoeken naar goede Poolse brandy.

#43 brandy

Wozniek bladert maar door zijn Pools-Duitse woordenboekje. Zijn buurman Janek en ik kijken naar een Poolse talentenshow. We eten ui, gebakken in suiker. En we drinken; ze blijven maar inschenken. Wozniek lijkt stug, maar ik vind het mooi dat hij zoveel mogelijk wil vertalen, communiceren. Janek praat gewoon Pools, gebruikt heel vaak het woord dat ze uitspreken als ‘koerwa’. Ik zie het woord niet in mijn woordenboekje staan. Ze gniffelen.

Twee uur nadat ze mij binnen hebben gelaten ben ik haast dronken. Ik vertaal mijn toestand naar het Pools. Ze zeggen het woord ‘dronken’ allebei luidkeels, lachend. Wozniek schrijft het op.

Ik blijf foto’s maken.

#42 uitzicht

Het schrijven lukt niet goed. De muziek in dit theatercafé van het Paleis van Cultuur en Wetenschap staat te hard om op de achtergrond te blijven. Daarnaast hou ik de tijd teveel in de gaten.

Alle andere klanten zitten nog buiten op het terras in de avondzon. Ik moet mijn telefoon opladen, want ik ga met haar skypen. Het zal me niet verbazen als ze weer bij mijn ouders is, die dan mee kunnen kijken en praten.

Mijn moeder zal mijn ironie soms niet kunnen plaatsen en ik de hare niet. Papa zal zijn ogen, naarmate het gesprek vordert, steeds meer richten op het voetbal op tv. Ik weet bijna zeker dat het komt, maar ik wil ze even horen en zien. Ik wil haar zien. Ik wil dat ze mij hier zien. Ik zal ze vertellen over dit paleis, een prachtig stalinistisch gedrocht.

De beheerder van de camping (ik mag hem Magic noemen, dat is makkelijker dan zijn Poolse naam) vindt dit paleis een doorn in het oog, niet in de laatste plaats door de connectie met de Sovjet-Unie.

Magic vertelde dat je wel het mooiste uitzicht over de stad hebt vanuit dit paleis, vooral omdat je het paleis zelf dan niet kunt zien. Ik vind het een sterk beeld: de macht en grootsheid van een historisch gebouw ondermijnen, door er zelf plaats in te nemen.

Ik bel haar en ze neemt meteen op. Ik zie drie lachende en zoekende gezichten in mijn schermpje. De muziek staat niet meer hard.

#41 lief

‘Turn soft and lovely everytime you have a chance.’ Ik las dit, gegraveerd in een stenen bankje bij het Ujazdowski kasteel.

Marieke gaf mij een Pools-Nederlands Nederlands-Pools mini woordenboekje, waarin je woorden kunt vinden als sportman, bulldozer, tegenstrijdigheid, ekster en slimmerd.

Ze stopte er een kaartje bij, waarop ze onder andere dit schreef: zorg goed voor jezelf, wees lief voor jezelf en schrijf.

Ik heb het idee dat Marieke mij een beetje kent.

Lief zijn voor mezelf, bedenk ik me nu, is ook: niet zoeken naar een pijn die er niet is.