baard

Vanuit de voorhal komt het schilderij steeds dichterbij. Het is maandag en vroeg. Er bevinden zich maar drie mensen voor me die in dezelfde richting bewegen, waardoor ik het doek al lopende van een afstand kan aanschouwen. Het lijkt ook kleiner; door de zaalopening is het al in zijn geheel te zien.

In de zaal sta ik even stil. Alle andere stukken schuif ik in mijn hoofd aan de kant. Het doek blijkt van dichtbij weer zo groot als het in mijn hoofd was. Ik zie de hand van de kapitein, de lichtval, de hond in de rechter benedenhoek, al die schuttershoofden. Een paar gezichten die zich meer op de achtergrond bevinden zijn minder gedetailleerd. Vooral het gezicht van de man met de gekrulde volle snor en de hoge hoed valt op, boven de kapitein. Telkens worden mijn ogen toch weer naar de verlichte hand van de kapitein toegetrokken. Alsof hij duiding geeft aan hetgeen zich op het doek afspeelt, zo staat hij daar. Ook qua fysiek lijkt hij een groot man, groter dan de anderen.

Ik besluit plaats te nemen op een brede grijze bank. Aan het plafond zie ik aan beide zijden van het schilderij een rails waarop lampen zijn bevestigd. Een groot aantal schijnt richting de wand van het doek. Ik probeer na te gaan of er een symmetrie te vinden is in de lampverdeling op de rails. Nadat ik aan de linkerzijde van het doek een lamp opmerk die, in tegenstelling tot de andere zijde, een stuk verder hangt, laat ik de rails en de lampen voor wat ze zijn. Toch zie ik nu ook twee banken. En twee bewakers. Maar die zijn, hoe langer ik naar ze kijk, ook niet hetzelfde. Ze ogen scherp doch vriendelijk. Eén van de bewakers kijkt even op een papier, alsof hij iets niet vergeten moet.

De bewaker rechts wordt afgelost, maar het voelt niet als een aflossing; ze lijken haast in elkaar over te gaan, misschien ook omdat mijn aandacht even verschuift naar een aantal mensen die zich in het zicht van de aflossing bevinden. Nooit eerder registreerde ik een wisseling van een museumwacht zo sterk, of zag ik deze überhaupt wel eens gebeuren? Ik kijk op mijn telefoon; het is precies 9:30 uur. Ik ben benieuwd hoe lang het duurt tot de volgende wisseling.

Al die benen, al die voeten met schoenen, dicht naast elkaar. Er zit een man op één knie, met zijn rug wat gekromd. Geconcentreerd kijkt hij naar het doek. Zijn hoofd leunt op zijn handpalm. Binnen tien seconden staat hij weer. Een Aziatische vrouw loopt naar het doek. Ze heeft een strohoed op waarin de vorm van twee kattenoren zijn verwerkt. Ze blijft redelijk lang staan. Het grensdraad voor het schilderij hangt op ongeveer veertig centimeter van de grond. Het draad hangt niet ver van het schilderij. De bezoekers komen zo zelfs dichterbij te staan dan de bewakers.

Een groep Japanse toeristen stopt naast de bank waar ik zit. De gids praat veel en er wordt naar hem gekeken. Een man komt met zijn dochter naast me zitten. Aandachtig en hardop lezen ze de informatiekaart, die in beperkte oplage bij de hoofdentree in twee bakken staat. Tussendoor kijken ze niet naar het doek, maar naar de afbeelding van het doek op de kaart. Ik herken die neiging om de informatie in te duiken, de context te willen weten, het kunstwerk zelf te ‘vergeten’. Dezelfde informatiekaart heb ik ook op mijn schoot liggen, maar bewust nog niet bekeken.

Ik schuif dichter naar de vader en de dochter toe, omdat een vrouw aan mijn linkerzijde mij in het Engels vraagt wat plaats te maken voor een oudere man. Hij dankt mij wat schuchter als ik ben opgeschoven. De vrouw zegt hem dat ze even verder rond gaat kijken en loopt richting de eregalerij. De oudere man pakt een nogal vergeeld boek uit zijn grijsbruine overjas en begint te lezen.

Het volume in de zaal neemt toe; meer mensen praten meer met elkaar. En luider. Dan zwakt het weer even af. Een vrouw maakt een foto van een man, met haar smartphone. Het wordt een foto van de man met het schilderij, niet van het schilderij en de man; ze staat zo dichtbij de man, dat driekwart van het beeld door zijn hoofd wordt ingenomen. Het gezicht van de man zie ik op het scherm van de telefoon zelf. Het lijkt alsof hij nu ook naar mij kijkt. Dichtbij mij staan twee mannen, waarvan de grootste in het Engels college geeft aan de ander; over het licht, over de ongebruikelijke posities en houding van de schutters, de actie die het doek suggereert. Toch hoor ik dat hij Nederlands is.

De samenklontering van mensen in deze vluchtige biotoop. De pracht van de zaal zelf, de bewaking, de infokaarten, de zitbanken. Al die gemaakte foto’s. De hand van Banninck Cocq. Nu zie ik ook pas de speren in de rechter bovenhoek van het schilderij. Ik vraag me af wat ik eigenlijk aan het bekijken ben en of ik het doek zelf eigenlijk nog wel zie. Maar ik weet dat dit ook een manier van kijken is en dat ik alle tijd heb. En ik zit goed. De oudere man links van mij slaapt, met gebogen hoofd en zijn boek gesloten in zijn schoot.

Een veiligheidsmedewerker loopt in een rechte lijn mijn kant op. Ik probeer te doen alsof ik hem niet heb gezien. Mijn rode notitieboekje hou ik in mijn hand. Hij hurkt. ‘Mag ik vragen wat u aan het doen bent,’ zegt hij. Hij heeft een goed verzorgd hoofd, sterk postuur en lijkt niet veel ouder dan ik.

Ondanks dat ik niet precies weet wat ik op dit moment doe, vertel ik hem enthousiast over mijn interesse in publieke plekken, het schilderij zelf en dat ik probeer te zien wat er om het schilderij heen gebeurt. Ook vertel ik over wat ik hier al heb gezien, over de bezoekers en de bewakers. Ik zeg dat ik mezelf opdrachten geef in de stad: ‘Mijn volgende opdracht is een smalle ijssalon op de Nieuwezijds Kolk,’ zeg ik. ‘Ken je die?’ Ik vertel niet dat ik ook een peepshow wil gaan bezoeken.

‘Ik woon hier pas ongeveer drie jaar, maar die ken ik wel ja.’ Het blijft even stil. ‘Je geeft jezelf opdrachten dus. Wat voor werk doe je?’

Mezelf afvragend of ik dit allemaal wel moet vertellen en wat ik allemaal al héb verteld, probeer ik zo duidelijk mogelijk te zijn over mijn werk in de zorg, maar het feit dat hij de term ‘opdrachten’ herhaalde, maakt mij ervan bewust dat hij niet alleen luistert, maar vooral ook interpreteert, inschat of ik zelfs een bedreiging vorm voor het museum. Eerder dacht ik nog dat ik hem van zijn werk afhield, nu is hij zijn werk aan het doen.

‘Dus je werkt veel met mensen,’ reageert hij met vragende toon. Terwijl we verder praten, verandert de wacht. In mijn enthousiasme geef ik teveel informatie, wat chaotisch ook. Aan mijn website denkend, stop ik met zinnen maken.

‘Mag ik je legitimatie zien?’ Hij blijft vriendelijk, rustig. Ik zit ver van het doek af, naast een slapende man. Wat zal er in de tussentijd allemaal gebeurd zijn?

‘Ik heb geen legitimatie bij me,’ antwoord ik, ‘maar wel een bankpas, of een museumjaarkaart.’ Direct pak ik mijn portemonnee, zonder nadenken.

‘Ja, dat is ook goed, een museumjaarkaart,’ reageert hij. Ik zoek in mijn portemonnee, dan in mijn regenjas die ik nog aanheb. Ik weet niet meer waar ik hem heb gestopt, maar vind de kaart toch redelijk snel in een van de jaszakken. De medewerker staat even op, kijkt ernaar en geeft de kaart snel weer terug. Ik zie op de kaart dat naast mijn achternaam alleen mijn voorletter staat aangegeven. ‘Mag ik eens zien wat u allemaal opschrijft,’ vraagt hij dan met een iets te sterk geïnteresseerde stem. Meteen denk ik aan de bewakers, de tijden van de wachtwisseling, mijn neergeschreven gedachten. Ik hoef dit niet te doen, maar dan creëer ik misschien meer argwaan. Direct breng ik hem naar de betreffende museumpagina’s, want de andere notities in het boekje zijn van mij. Geconcentreerd leest hij, scant hij. Soms wat hardop. Ik wacht.

‘Dat over die bewakers, laat dat maar zitten,’ zegt hij gedecideerd.

‘Dat is goed,’ reageer ik. Maar de woorden staan er, ze staan er blauw op wit, in mijn rode boekje. Er is een moment ontstaan om weer zonder elkaar verder te gaan en ik reik hem mijn hand. We wensen elkaar een fijne dag. Nooit had ik gedacht dat regels in dit boekje door een ander gelezen zouden worden, laat staan een veiligheidsmedewerker van een museum. Naïef ben ik geweest.

Ik moet meer observaties en gedachten gaan onthouden, in plaats van opschrijven. Maar ik wil ook niet bezig zijn met het vergeten ervan. Even voel ik toch blijheid over het feit dat ik een geheugen heb en besef me dat hetgeen geschreven staat in mijn boekje hier een grotere betekenis krijgt toebedeeld, zelfs gevaarlijk waar moet zijn.

Meer bewust van mijn aanwezigheid kijk ik om mij heen. Het lijkt alsof niemand mijn treffen met de veiligheidsmedewerker heeft opgemerkt, alsof er ondertussen nieuwe mensen zijn gekomen. Ik probeer zo weinig mogelijk naar de bewakers te kijken.

Het doek is nog steeds het doek, maar anders. Banninck Cocq lijkt zich af te vragen waarom ik eigenlijk werd aangesproken. Ik gniffel even, om de hele situatie, om het idee dat wat hier gebeurt invloed lijkt te hebben op wat ik op het doek zie. Ondertussen zie ik kortstondig licht ontstaan op het doek, door fotocamera’s. Wat doet dat meisje eigenlijk daar, midden in deze schuttersactie? En die in de hoek opduikende, treurig ogende trommelaar met zijn flinke gok? Ik wil dichter bij het schilderij komen, voor een langere tijd recht ervoor staan. Maar eerst pak ik de informatiekaart erbij. Er moet ook iets over het meisje opstaan.

Er wordt een vrouw gebeld, in hagelwitte outfit en goed gecoiffuurd en geverfd haar. De ringtone is vervelend en hard. Ze is, schat ik, achter in de veertig en kijkt wat vreemd naar haar scherm. Ze loopt van het doek af, richting mijn bank. Zonder moeite swipet ze op het scherm en zegt dan dat ze Frieda heet. Het blijft lang stil. ‘Nee, ik sta bij de Nachtwacht,’ antwoordt ze dan ferm. Er wordt niets meer gezegd en opgehangen. Ik denk aan de mogelijke verkoper of marktonderzoeker aan de andere kant van de lijn, die met dit cultureel hoogstaande argument niets anders kan doen dan Frieda gelijk geven en haar een goede dag wensen.

Een bewaker, een die ik niet eerder zag, maakt dezelfde lijn als de eerdere bewaker, maar hurkt naast de bank en vraagt of de slapende man naast mij bij mij hoort. Ik ontken, hoewel hij hier toch al zeker drie kwartier naast me zit. Dan wordt de slapende man rustig wakker gemaakt, schrikt op en murmelt wat excuserends in het Engels. Meteen wordt hij weer met rust gelaten en begint weer te lezen.

Ik maak een foto van de informatiekaart en lees dat het doek de gangbare titel aan zijn vuilheid te danken heeft, dat de donkerte ervan dus geen verband houdt met de taak van de schutters zelf. Het doek zal nu niet meer als vuil worden opgevat, maar al die lichaamswarmte die het per dag incasseert, de flitsen, het licht, de tijd zelf, het feit dat tijdens openingstijden de bezoekers dichterbij staan dan de bewakers; het lijkt alsof de geuzentitel de bezoeker op deze manier ook een rechtvaardiging geeft om diezelfde naam een vuile eer aan te doen, als een soort self-fulfilling prophecy.

Plots staat dezelfde bewaker die ik eerder de hand schudde, voor mij. Ik zie ook een extra bewaker bij ons, op gepaste afstand. ‘Ja, ik heb met mijn teamleider gesproken,’ zegt hij, ‘en we willen toch dat je de informatie over de bewakers uit je boekje haalt.’ Ik weet even niet wat ik moet zeggen, ook omdat ik denk aan alle andere bruikbare informatie die zo verloren gaat. De bewakersinformatie zit wel in mijn hoofd, maar er bevinden zich ook langere zinnen en observaties op het papier, die ik goed vind, waar ik later nog iets mee zou willen doen. Ik blader wat door mijn boekje en zeg ja. ‘Ja,’ zeg ik nog een keer, alsof het niet anders kan. Rouwig blijf ik steken bij de bewakerspagina.

Het kan wel anders: ik zet hier een flinke mond op, zeg dat ik ze nu wel genoeg inkijk heb gegeven in mijn ideeen rondom dit doek en in mijn leven, dat ik helemaal geen kwaad in de zin heb, dat als ik dat wél zou hebben ik hier niet zo opzichtig zou zitten met mijn rode notitieboekje. Dat ze mijn geheugen vergeten, dit niet moeten onderschatten, dat ik de teamleider wel zou willen spreken en weten wat ze allemaal al aan informatie over mij hebben opgezocht en hoe ze dat precies hebben gedaan. Dat ze misschien de echte slechterik wel zijn mis gelopen op deze manier.

Tegelijkertijd onderschat ik de echte slechterikken waarschijnlijk. En iedereen is hier een slechterik in de dop. Ik zou nu naast mezelf willen zitten, een buurman zijn die net doet alsof hij slaapt en alles meekrijgt wat er besproken wordt.

Nauwkeurig scheur ik, in een rekkerig tempo, één observatie uit het specifieke blaadje waarop ook de wachtwisselingstijd staat. ‘Nee, graag alles, het hele blaadje’ zegt hij, ‘er stond nog meer.’ Van een afstand bukt hij wat met zijn lichaam, om de informatie te vinden. ‘Daar, ja.’ Hij is scherp. De oorspronkelijke en niet-bewakergerelateerde observaties verliezen doet pijn, maar het werkt niet in mijn voordeel om hier nog langer bij stil te staan. Ik scheur het hele blaadje uit het boekje en geef het. Hij lijkt content. ‘Ik wil toch ook nog even je museumjaarkaart zien.’ Ik haal het snel tevoorschijn en denk aan mijn voornaam die nog van mij is. Hij pakt een klein geel museumboekje waar ‘talented’ opstaat en begint te bladeren. Ik zie een beschreven blad, waarop ik een kenteken lijk te zien. Het boekje is nog grotendeels leeg. Ook veiligheidsmedewerkers gebruiken dus notitieboekjes, misschien wel uit hun eigen museumwinkel. Het maakt de situatie wat menselijker en minder urgent. Ik voel mijn lichaam wat ontspannen. Als hij mij vraagt naar de foto’s die ik maakte laat ik die direct zien, zeg ik dat het er maar weinig zijn en overtuig ik mezelf en hem, dat het niets bijzonders betreft. Hij ziet en gelooft het, want hij draait al snel zijn gezicht en lichaam weer van mijn toestel af.

‘Ik hoop dat je begrijpt,’ begint hij, maar ik neem zijn zin al over en zeg dat hij zijn werk aan het doen is en dat ik dat goed vind. Hij kijkt mij aan, met zijn ogen zeggende dat dit nou eenmaal is hoe het werkt en ik kijk nog eens goed naar hem en zijn haren. Hij wenst mij een fijne dag en reikt mij de hand in plaats van andersom, alsof hij niet vergeten is dat we de eerste keer op deze manier afscheid namen.

Alles wat verloren is gegaan aan informatie herhaal ik in mijn hoofd. Meerdere malen. Ik kijk na wat ik nog allemaal meer heb geschreven. Mijn oog valt op de zinnen: Het wordt vreemd als ik nu een tijd lang dichtbij ga staan. Het lukt ook niet, de mensen staan nu vijf rijen dik. Snel verander ik het woord ‘vreemd’ in ‘prachtig’. Maar misschien is prachtig nog meer verdacht, naast het feit dat ik over het woord vreemd heen heb geschreven, trachtend mijn mogelijke slechte intenties te verbloemen.

Ik stop met dit gedoe en begin te schrijven: Het blaadje moet eruit, een talented boekje, met meer gegevens, een ander erbij. Een uur lang kijken kan wel, maar schrijven niet. En dan daaronder:

De actie. Ik grijp weer terug naar de informatiekaart.

Hij heeft de schutters één voor één heeft laten poseren, schilderde onder een afdak in zijn tuin aan de Sint-Antoniebreestraat. Ik probeer de tuin voor me te zien en vraag me af of de grootte van het doek een obstakel vormde. De stroken die zijn afgesneden voor de verhuizing van het doek naar het stadhuis op de Dam in 1715 hebben de ruimtelijkheid van het schilderij in letterlijke én figuurlijke zin wat aangetast, maar ik denk vooral aan de praktische aard van de verhuizing en de inkorting om het doek te laten passen. De afbeelding van de geschilderde kopie van Lundens, die het doek vanuit zijn oorspronkelijke afmetingen heeft nagebootst, geeft mij ook het gevoel dat de schutters vanaf 1715 vakkundig in een nieuwe lijst zijn geperst. Vooral de trommelaar lijkt te vechten voor bestaansrecht. Het meisje kan worden gezien als ‘mascotte’ van de schutters, de hond in de hoek als ‘opvulling’. Het meisje lijkt niet echt op Saskia, zijn vrouw, zoals wordt gesuggereerd.

De Engelse vrouw komt weer langs bij mijn buurman, die nog vermoeid oogt. De vrouw is enthousiast over wat ze gezien heeft en probeert de man mee te krijgen, want ze geeft aan dat het toch 17,50 euro entreegeld heeft gekost en dus zonde om niet even rond te kijken. De man wil blijven zitten, het geld interesseert hem niet. De vrouw lijkt er direct vrede mee te hebben, zegt zacht gedag en verdwijnt weer in de bezoekersmassa. Ik probeer nu te zien wat mijn buurman leest, maar het lukt niet. Mijn mond is droog aan het worden. Ik wil niet weg voordat ik nog eens lang en goed voor het schilderij heb gestaan, dichterbij. Niet tegen het grensdraad aan. Dat niet.

Een wat rustigere plek zoek ik, iets meer links van het doek, maar terwijl ik daar naartoe loop besluit ik toch eerst eens helemaal uit te schrijven wat er in die goudkleurige letters, in de gehele omtrek van de zaal, boven de donkergrijze delen van de wanden staat geschreven. Om de vier zuilen heen kijkend, al lopende, lees ik onder andere dat zijn Saskia hem ‘ontviel’ in het jaar dat hij het doek voltooide. Ze wordt alleen bij haar achternaam genoemd. Zonder taalfouten probeer ik de gehele tekst over te nemen in mijn boekje, alsof het een toets betreft. Ik keer terug naar de plek die ik eerder in gedachten had, op ongeveer vier of vijf meter van het grensdraad. Mijn lengte laat me over de meeste mensen heen kijken en het voelt alsof ik op eerbiedige en veilige afstand van het doek sta. Ik voel me weer even alleen een bezoeker, maar mijn oog blijft ook naar de twee bewakers gaan. Soms zie ik schutters, soms het licht, de schaduwwerking op het doek, dan weer een detail: de klauwen van de dode haan aan de riem van Saskia, de wolk uit de loop van de musket die overgaat in de witte veren op de hoed van de luitenant. Dan weer een bezoekershoofd, een bewaker. Er flitst een camera van een forse, grijs geklede man. Hij wordt teruggeroepen en schuldbewust loopt hij weg, kijkend naar zijn camera. Een vrouw, die met twee kinderen voor mij staat, vraagt hem wat er gebeurde. Hij zegt dat hij niet mag flitsen en kijkt alsof de foto ook daadwerkelijk is mislukt. De vrouw vraagt hem of hij de flits er niet af kan halen. Hij zwoegt en lijkt het niet voor elkaar te krijgen. ‘Dat hebben wij weer,’ zegt ze.

Banninck Cocq vraagt mijn hand. ‘Kom,’ zegt hij, ‘dit moet je zien, vanaf hier zie je het beter.’ Zijn hand wordt nog lichter en beweegt zich haast het doek uit. Zijn ogen staan niet mijn kant op, kijkend alsof hij weet dat ik eigenlijk geen gehoor kan geven aan zijn verzoek. Ik sluit mijn ogen, pak zijn hand en zie de mensen naar ons kijken. Dan denk ik aan dat ik er ook weer uit moet.

Het is 11:15 uur. Bijna twee uur heb ik hier doorgebracht. Mijn maag rommelt en de mensen blijven komen en gaan. Ik kijk nog eens naar de bewakers en vraag me af of ze mij zien, hoe ze mij zien. Er is een vrouw die iets aan de rechter bewaker vraagt. Hij geeft vriendelijk antwoord, maar verstaan kan ik het niet vanaf hier. Wanneer ze een goede werkdag hebben, weet ik niet. Ik wil het ze vragen.

Rustig draai ik me om en loop richting de eregalerij, maar stop toch en kijk naar de bank. Mijn ex-buurman slaapt nog steeds. Zo onopvallend mogelijk maak ik een foto van hem. Direct daarna zoom ik in. Zijn spierwitte wenkbrauwen vallen over zijn bril, zijn overhemd is paars-wit gestreept, de boektitel nog steeds onzichtbaar. Dan berg ik mijn toestel op en kijk nog langer naar hem. Zijn rechterhand rust op zijn bovenbeen, alsof er een pen in heeft gezeten. Ik wil wachten tot hij wakker wordt, maar besluit dat het genoeg is geweest.

Voldaan maar met slome passen loop ik wat kunstgammel de eregalerij door, richting de voorhal. Ik zie nog een Aziatische vrouw zoekend om zich heen kijken, alsof ze iemand is verloren. De glazen deur hou ik open voor een meisje en ze bedankt me. In de voorhal neem ik het prachtige glas in lood in me op en bekijk de mozaïeken op de vloer. Als ik bijna de voorhal uit ben kijk ik om me heen. Een bewaker met kort haar kijkt in mijn richting en ze praat in haar microfoontje. Ik loop de hoek om en wacht. Ze komt weer in mijn zicht, stopt en praat opnieuw. Ik raak moe en boos tegelijk.

Alles wat ik nu doe is verdacht. Ik weet het niet meer. Ik pak mijn telefoon, kijk erop, doe net alsof ik iemand bel, zet de telefoon tegen mijn oor. Alsof er niet is opgenomen hang ik op, druk op wat knoppen, kijk om me heen, alsof ik de bewaker niet zie. De trap af lopend, zie ik een andere bewaker in het zicht komen. Ik besluit nu niet te stoppen, loop de deur door waarachter een trap naar de hal aanwezig is. De hal inkijkend, zie ik de bewaker staan die mij tot twee keer toe de hand schudde. Er staan nog twee veiligheidsmensen bij. Ik stop met lopen en zucht. Uitgeblust ga ik op een wit bankje bij de trap zitten.

Een bewaker loopt langs. In het voorbijgaan kijkt hij naar mij. ‘Heeft u het een beetje kunnen vinden,’ vraagt hij. Hij weet wie ik ben, of beter, hij weet wie ik hier zou kunnen zijn geweest en nog kan worden tijdens het verdere verloop van mijn bezoek. ‘Nou, meneer,’ zeg ik wat droevig en geagiteerd, ‘ik zie daar een collega van u staan wachten die ik al eerder heb gezien, en ik heb hier eigenlijk geen zin meer in.’ Hij oogt kalm doch gedecideerd en komt naast me zitten. Ik lees zijn naam en functie op zijn naamplaatje en bekijk zijn gezicht en gebit terwijl hij tegen me praat. Zijn naam herhaal ik in mijn hoofd.

‘Zal ik met u meelopen naar de uitgang?’ Verbaasd ben ik, over dit voorstel. Waar is hij bang voor, wil hij me gewoon weg hebben? Ik denk aan mijn vrijheid, dat ik nog de winkel in wil, misschien nog even rond wil lopen. Gewoon rond wil lopen, zonder achtervolgd te worden. Het zit er nu toch niet in, denk ik. ‘Als u dat fijn vindt,’ reageer ik.

Hij gaat voor mij de trap af. ‘Dus je werkt in de verpleging,’ zegt hij wat nonchalant. ‘Nee,’ reageer ik, ‘ik werk in de zorg, maar niet als verpleger.’ Hij lijkt niet echt onder de indruk van deze misinterpretatie. Nu begin ik me af te vragen hoe de eerdere bewaker heeft geluisterd, wat hij heeft gehoord. Is dit een overhoring? Misschien houdt hij mij wel gewoon netjes aan de praat tot aan de uitgang. ‘En je woont op de Nieuwezijds Kolk?’ ‘Nee,’ reageer ik ferm, ‘daar zit de ijssalon,’ er vanuit gaande dat die informatie is doorgespeeld. We praten nog even over de ‘opdrachten’ die hij aanhaalt. Dat woord heeft hier bijna mythische proporties aangenomen, in negatieve zin.

‘Hier is de uitgang,’ wijst hij naar de trap en de draaideur. Wat voor mij uit starend, ben ik langs de uitgang gelopen, richting de museumwinkel. Ik kijk niet meer echt rond, zie niet waar ik ben. Het is misschien weer een verdacht moment, maar het maakt me niet meer uit. Moegestreden volg ik hem de trap op, naar de uitgang.

‘Ik hoop dat het volgende keer prettiger zal verlopen,’ zegt hij voordat ik mij in de draaideur begeef. ‘Nou, zo slecht was het niet,’ reageer ik, nog een keer naar zijn naam kijkend op zijn jasje. Met een correcte, beleefde blik laat hij me uit.

Ik kijk niet meer om en loop richting stadkant de doorgang van het museum uit, over de Museumbrug. De ijssalon bevindt zich helemaal niet op de Nieuwezijds Kolk, maar op de Nieuwendijk, bedenk ik me nu.

Mijn baard moet eraf. Ook voor de volgende keer misschien. Om mij heen zie ik mensen verdachte dingen doen. Als ik straks thuis ben, pak ik mijn rode boekje.