UWV

voor Sjaak Polak

I

Wie eerst nog voor hem juichten vragen hier

of hij het is. Hij knikt. ‘Het zijn lastige tijden,’

zegt hij, ‘terwijl niemand zo goedkoop is als ik.

Maar als je bent gestopt ga je de kast in,

doen ze de deur op slot. Ben je verleden tijd.’

 

II

Zijn cv leest als een mager jongensboek;

als hij terugkijkt op de werker die hij was

had hij meer moeten gaan liggen, kermen,

eisen, wat slimmer moeten zijn zodat hij

nu eens rustig thuis had kunnen zitten.

 

III

Een loodgieter is hij niet, dat is een vak;

één fout en je zit met de ellende. Toen hij

rende voor zijn geld wist hij wel beter, maar

de markt maakt een schoen die hem niet past.

 

IV

Hij neemt weer naast ze plaats. Krijgt tik

op tik. Hij wordt er wel eens moedeloos van,

maar knikt. Ze vragen steeds of hij het is.