hulp

Op de Wijttenbachstraat bleef ik staan. Bouwvakkers werkten op steigers aan de bovenste verdieping van een reeks huizen. Eén bouwvakker zat op de top van een schuin dakgedeelte waar de pannen nog van afgehaald moesten worden. Ze wachtten op een afvalcontainer die hydrolisch en langzaam naar de bovenste verdieping werd gebracht.

Een bouwvakker liep door een raamkozijn waarachter zich geen kamer meer bevond. Ik wilde nog langer blijven kijken maar voelde me een gluurder.

Terwijl ik de stoep in de gaten hield en fietsers langs me zag gaan, schoof een man in het zwart over de weg, in een rolstoel. Hij reed tegen het verkeer in richting Linnaeusstraat. De man had een trieste maar doortastende blik in zijn ogen. Zijn handen lieten de rolstoel in eenzelfde tempo voortbewegen.

Auto’s weken voor hem uit, pakten de tramlijn in het midden van de weg om langs hem te komen. Er werd niet getoeterd. Het leek alsof hij een afspraak met het verkeer had gemaakt. Langs de stoep liep ik in zijn richting mee.

Toen we de kruising naderden, begon het toch onveilig te voelen de man zijn gang te laten gaan. Ik bleef nog tien meter doorlopen en stak de weg over.

‘Gaat het meneer?’ vroeg ik hem. ‘Kan ik u helpen?’

Hij keek geïrriteerd mijn kant uit, draaide zijn gezicht weer naar de weg en maakte een gebaar met zijn linkerhand. Doorlopen.

Ik liep door. Terwijl ik dacht aan de vragen die ik had gesteld begaf ik me weer terug naar de stoep en stak bij het zebrapad de straat over. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe de man zich van de weg naar de stoep rolde en stopte voor het rood geworden stoplicht.

Toen ik rechtdoor langs het hek van het Oosterpark liep en nog één keer omkeek, was de man al de Linnaeusstraat in verdwenen.

Het verkeer bleef zichzelf regelen. Zonder problemen.