vaders

Toen ik telefonisch een kaartje reserveerde, antwoordde Karel: ‘Leuk.’ Ik dacht aan de ruimte van het theater, aan het aantal mensen dat zou komen. De keer dat ik eerder in het Torpedo Theater was (april 2012), zag ik F. Starik als een bezetene achter het rode katheder nieuwe gedichten voordragen. Er waren die middag nog vijf andere belangstellenden aanwezig geweest, en een hondje.

Vanavond staat in het teken van (vallende) vaders. Wim Brands, die ook Erik Bindervoet, Maarten Moll en twee zangeressen van traditionals (Sophie ter Schure en Margot Limburg) heeft uitgenodigd, zal komen voordragen uit zijn nieuwe bundel die ik in Athenaeum op het Spui al had bekeken. De poëzieafdeling is daar fijn; je kan door de ramen een stukje van het caféleven in de Spuistraat begluren. Maar ik weet nog dat ik zonder naar buiten te kijken bleef lezen in die bundel. En ’t uiteindelijk toch niet aanschafte. Wel onthield ik 1 regel, een laatste regel:

Er wordt niet veel gezegd.

Niet geheel toevallig een laatste regel van een gedicht waarin Brands een moment met zijn vader beleeft, die op oudere leeftijd nog op een ladder staat.

‘Jij bent Noek?’ vraagt de man achter de bar nadat ik hem had gegroet. Het moet Karel wel zijn. Bestierder, telefonist en barman in één. Na betaling van het entreegeld ontvang ik mijn welkomstdrankje, terwijl ik nog bij de deuropening sta. De cola de ik krijg, komt rechtstreeks uit een anderhalve literfles.

Het theater geeft direct een vreemd gevoel van saamhorigheid, omdat iedereen door diezelfde deur moet, iedereen zich ophoudt in dezelfde kleine ruimte, niemand onopgemerkt blijft, je langs elkaar moet glijden om je plekje te vinden. Ik groet iedereen die mij aankijkt en vind een lege klapstoel, waarvan ik me toch hardop afvraag of deze al bezet is.

Ik kijk om me heen. De warme groene tinten op de wanden, het rood geschilderde houtwerk van het balkon (hoe kom je daar eigenlijk?), een rood velours podiumgordijn, een Matisse, een spotprent over bezuinigingen op de kunsten en een Glen Baxter: Welcome, my friends to another evening of Dutch poetry!” Op de afbeelding is een dichter op klompen in zijn barkruk geklommen om voor twee letterlijk geboeide mensen voor te dragen. Er is iets mooi gewoons of misschien zelfs Hollands aan deze plek, hetgeen nog eens bevestigd wordt als ik voorzichtig langs de stoeltjes en benen het halletje van de wc binnenloop en wordt aangestaard door een portret van Carmiggelt.

Brands bijt het spits af en ik zie hem bij het eind van elk voorgedragen gedicht snel weer een aanzet maken tot bladeren, weg van zichzelf, weer op zoek naar zijn vader. Elk gedicht voelt alsof je het opnieuw wil horen.

Moll en Bindervoet worden naast hun voordrachten ook door Brands geïnterviewd. Ze praten over hun vaders en over de manieren waarop zij herinneringen aan hen verwerken in hun gedichten.

Molls vingers bewegen haast onophoudelijk, terwijl hij met weinig woorden praat (soms ook zwijgt) over zijn vader, over zichzelf, over zoeken naar andere herinneringen dan de voor de hand liggende. Molls gedichten zijn, zoals de titel van zijn bundel Lichaam doet vermoeden, sterk gericht op het zintuiglijke. In één bepaald gedicht somt Moll gespreksstof op, die (denk ik) in interactie met een vriend of vriendin ontstaat. Maar over de pikken van vaders, zo eindigt Moll, praat je niet. En zo had ik in het goed gevulde Torpedo Theater toch even de pik van mijn vader in gedachten.

Bindervoet praat makkelijk. Zijn gedichten voelen ook laconieker aan, maar niet minder urgent of pijnlijk (ik denk even aan de kippenlevertjes die zijn vader voor hem bakt in zijn debuutbundel Tijdelijk Zelfportret). Die urgentie laat hij ook blijken door een lans te breken voor ‘ugly poetry’. De vaders zijn dan al met rust gelaten.

Ter Schure en Limburg spelen nog een laatste selectie van hun ellendig goede traditionals, op ‘blote voeten’; het contact met de grond is belangrijk. Hun sokken staan goed in dit theater.

Nadat Brands het programma heeft uitgeleid, klinkt er direct een mannenstem uit het publiek: ‘Roken.’ Voor de tweede maal vanavond denk ik aan mijn vader.

bewegen

Ik kwam aan in De Nieuwe Liefde, waar Campert zijn poëzie zou voordragen. De zaal zat al grotendeels vol. Ik ging na hoe goed de plek was waar ik ging zitten; ik zag het scherm, de microfoon, de tafel waaraan hij zou gaan zitten, zijn achterhoofd (vooraan zittend in de zaal).

Ik betrapte mezelf erop dat ik veel naar zijn achterhoofd keek.

We zagen het filmpje Ode aan de traplift. Ik glimlachte en moest slikken. Aan het eind van het filmpje kon ik mijn tranen moeilijk bedwingen. Er zat een man voor mij, verstild. Zijn vrouw (denk ik), links naast hem zittend, zei hem zacht: ‘Mooi, heel mooi.’ De man knikte maar bleef voor zich uit kijken.

Het leek me lastig om 85 te zijn, maar er was altijd nog een traplift. Ook daarin kon dus poëzie schuilen.

Campert liep verschillende malen het podium op en af, ondersteund door de gastheer. De eerste maal nog met wandelstok, later niet meer. Hij droeg gedichten voor, van When we were very young tot Licht van mijn leven. Over deze middag zei hij: ‘Hier kom ik krachtiger uit dan ik erin kwam.’

Ik dacht aan het werk dat ik van hem las, zijn columns. Eén column van hem bewaar ik. De column is blanco. Onderaan de column staat: REMCO CAMPERT IS MET VAKANTIE.

Campert VK 3

Toen ik een paar dagen na het optreden een rondje door de stad liep, schoot me iets te binnen: Remco Campert is altijd onderweg.

Het lijkt alsof Campert constant meereist met de tijd, met wat er om hem heen te vinden is, met zijn eigen lichaam, met het leven zelf. Leven als een bijna onoverwinnelijk werkwoord waarvoor hij woorden zoekt om het toch even te verstillen, te omvatten.

Zijn graf is al besteld, zei Campert in een gesprek voor VPRO Boeken begin 2013. Maar zijn gedichten bewegen zich over de dood heen.