#56 kat

Ik zit in Bar Chomsky, aan de bar. De barman zegt dat Aldis vanaf de opening deze bar al bezoekt.

Aldis is een gedrongen man en heeft een grijze snor. Alle andere mensen hier zijn een stuk jonger dan hij. Aldis verloor dit jaar zijn hond en zijn vrouw. Zijn dochter is in Riga komen wonen, waar hij blij mee is.

Hij heeft nu net de bar verlaten om zijn kat eten te geven. Ik zei hem dat het mooi was dat hij samen met zijn kat is. Hij keek verbitterd: ‘Cat is no wife.’ Aldis verontschuldigde zich meerdere keren voor zijn gebrekkige Engels. We groetten innig voordat hij naar zijn kat terugging.

Ik zeg tegen de barman dat Aldis een aardige man is. De barman zegt dat hij wel eens met zijn vrouw komt, of dat zijn vrouw langskomt om hem mee naar huis te nemen.

Ik vertel de barman dat zijn vrouw overleden is in februari.

Hij schrikt ervan; hij lijkt na te gaan of het klopt.

Dan moet hij weer door met de klanten voorzien van drank.

Cat is no wife. Ik probeer voor me te zien hoe Aldis zijn kat groet, eten geeft.

Ik heb niet echt een reden om naar de camping te gaan. Er is geen kat die mij nodig heeft, of een vrouw die mij binnenroept.

#55 hoofd

Ik liep weer alleen, richting het centrum van Riga. ‘Keep your head up’ las ik op de grond, net voor ik via de grote verkeersbrug de Dvina over wilde steken.

Terwijl ik deze aanmoediging op me in liet werken, besefte ik dat ik vooral het stuk weg recht voor me in de gaten aan het houden was. Maar ik zat niet meer op een fiets.

Ik probeerde zoveel en ver mogelijk om me heen te kijken. Ik vroeg me af wat Jarek op ditzelfde moment zag.

#54 helft

Jarek en ik bereiken de camping in Riga, samen. Het is prachtig om de euforie te delen na een dag ploeteren.

We praten over muziek en drinken om onze zegetocht te vieren.

Jarek heeft zijn vrouw gevraagd om haar lievelingnummers op zijn mp3-speler te zetten.

Eén nummer van The National blijft hem altijd bij; toen hij in Zweden fietste en de hele dag stroef verliep, zette hij zijn muziek op en kwam dat nummer als geroepen.

Ik herinner me, toen ik Jarek ontmoette op de fiets, dat hij mij aansprak met zijn koptelefoon op.

Ik vertel hem dat ik vaak muziek luister, die ik op een begrafenis zou willen draaien. Voor dierbaren, of voor mijzelf. Het voelt gek dat ik dit vertel aan iemand die ik pas anderhalve dag ken.

Morgen gaat Jarek weer verder, ik blijf. We blijven toch vooral vreemden voor elkaar. Maar deze dag is voor de helft van mij en voor de helft van hem.

We delen de rest van de Martinifles.

#53 ver

Met Jarek, een tengere Poolse man uit Gdansk, fiets ik kilometers over zandweg met stenen, steek ik straks de Litouwse grens over, deel ik de weg.

‘Wat zie je als je fietst,’ vraag ik hem.

‘Ik zie vooral niets, maar als ik wat zie, probeer ik zover mogelijk te kijken.’

Misschien komt het door het eentonige Litouwse landschap en de moeilijk fietsbare weg, dat hij dit zegt.

Deze wegen zijn vooral bedoeld voor vrachtwagens, niet voor ons. De paar verloren Litouwse zielen die hier toch fietsen, doen dat met reflecterende oranje hesjes, zodat ze zichtbaar zijn. Voor vrachtwagens.

Wij dragen geen hesjes.

We fietsen naast elkaar. We vertellen elkaar onze ervaringen.

Er wordt soms getoeterd.

We maken het laatste stuk Litouwen zo draaglijk mogelijk.

#52 waarde

Er staan hier veel fietsen, in het fietsmuseum van Šiauliai. Eenwielers, houten fietsen, interbellum fietsen, bmx fietsen, ligfietsen, mountainbikes, wielrenfietsen, spartamet en sovjetfietsen.

In het begin van de twintigste eeuw stond de waarde van een fiets ongeveer gelijk aan die van twee koeien.

Nu bestaan er ook nog fietsen met een waarde gelijk aan die van twee koeien, maar ook met een waarde van een bijzettafel, scheerapparaat, plasmascherm, zomerhuisje of een shot heroïne.

Ik vraag me af wat al die koeien denken die zo doordringend naar me kijken op de foto’s die ik van ze nam. Hoeveel ze waard zijn geworden ten opzichte van mijn fiets, zal ze niet interesseren.

#51 China

De beheerder van de camping praat tegen me als een gids. Ik probeer net zo onbezorgd als hij in de auto te zitten. We rijden terug naar het westen; Jurbarkas is de eerste grotere plaats waar een fietswinkel is.

We halen eerst grote rollen wc-papier en gaan langs bij een reclamebureau dat de promotie doet voor een evenement op zijn camping. Daarna bezoeken we de fietswinkel, die meer weg heeft van een kantoor. We vinden een nieuwe buitenband met de juiste afmetingen.

In de auto vraagt hij of hij de band nog even mag zien.

‘Oh China, everything China. Now hope you will make it to Tallinn.’

Hij laat me de mooie fietsweg langs de rivier zien, die ik heb gemist op weg naar de camping.

‘You lost,’ zegt hij.

Ik vind het niet erg, deze mosterd na de maaltijd. Hij is trots op alle ontwikkelingen; nieuwe wegen, huizen, renovaties, windmolens.

Ik vraag hem nu pas hoe hij heet.

‘Ovidius,’ zegt hij. Een Griekse dichter die schreef over gedaanteverwisselingen. Het past wel bij hem.

#50 zondag

Het beste moment voor een kapotte binnen- en buitenband is nooit. Maar vijfhonderd meter na vertrek van een camping in Šilinė is ook niet slecht.

Je zou terug kunnen gaan naar de camping en de schaduw op kunnen zoeken. Er zou een meedenkende beheerder kunnen zijn, een Engelssprekende. Het zou een zondag kunnen zijn waardoor je genoodzaakt bent een dag te wachten voor een nieuwe buitenband. Een maandag waarop je met de auto naar een fietswinkel gebracht zou kunnen worden.

#49 zoet

Barbara en Barbara nodigden me uit om samen te eten op de camping. Zij maakten pasta, ik haalde bier en chips. Zij hadden nog Vana Tallinn rum over, meegenomen vanuit Estland.

Er kwamen wespen langs. Ze zwommen in het bier en de Vana Tallinn. Ik liet ze er weer uit. Ze waren hardleers. Het leek of ze soms vochten met elkaar.

Eén wesp dacht ik dood te zien liggen in het laatste beetje zoete bier.

‘She’s alive,’ zei de Barbara die het minst praatte, maar niet minder zei wanneer ze iets zei.

Ik vond het mooi, dat ze zeker wist dat dit een vrouwtje was.

De andere Barbara speelde gitaar. Haar stem was dodelijk lief en zacht. Het maakte de bezigheden van de wespen mooier om naar te kijken.

Aan het einde van de avond hadden vijf wespen zichzelf verzopen in de resten van bier en rum. Wij gingen slapen.

#48 baan

Er zat een medefietser aan het ontbijt. Hij had een gedrongen postuur, droeg een goede sik en een staart. Hij leek niet op een echte fietser.

Hij vertelde dat hij een aanstelling had als wiskundeleraar op een universiteit in Lyon; een dag na de laatste werkdag stapte hij op de fiets, een dag voor het nieuwe universiteitsjaar kwam hij weer thuis.

Hij zei dat hij soms een hotel nam om reclames te kijken; door reclames te kijken kon je veel leren over een land. Ik had het idee dat ik veel leerde door met mensen te praten.

Hij hield niet van steden. Ik vroeg hem waarom. ‘Omdat het moeilijk is om er weer uit te komen,’ antwoordde hij. Hij had daarom een hekel aan Hamburg.

Ik vroeg me af waarom hij überhaupt in Lyon woonde. Ik durfde het niet te vragen.

Hij vroeg wat ik voor baan had. Ik zei dat ik mijn baan had opgezegd.

‘Je hebt je baan opgezegd voor twee maanden fietsen?’

‘Nee,’ antwoordde ik, ‘ik heb mijn baan opgezegd om iets anders te gaan doen.’

Toen hij zijn ontbijt ophad en naar zijn kamer terugging, zei hij: ‘Ik zie je nog wel.’

Als je onderweg bent kan je altijd zeggen: ‘ik zie je nog wel.’

Deze man hield er niet van om thuis te zijn. Ik wil niet altijd onderweg blijven.

#47 uur

Vandaag fietste ik naar de stad Marijampole. Ik wachtte onweer af, fietste door regen, kreeg weer zon terug. Kreeg een nieuw land, met een nieuwe taal, nieuwe gezichten en rijgedrag, zag en voelde andere wegen en munten.

Ik moest nog avondeten halen. Günther, de receptionist van het hotel, vertelde mij dat er driehonderd meter verderop nog een Maxima open was, tot tien uur.

Op mijn slippers slofte ik naar buiten, had een grote handwas gedaan, was moe van het wringen. Ik keek op mijn telefoon. Het was 20:41 uur.

Nadat ik de overvloed aan eten op de band had gelegd en bij de kassa aankwam, gingen de meeste lichten uit.

Ik keek op de klok van het pinapparaat; het was al 22:00 uur in Litouwen. Op mijn telefoon was het 21:00 uur. Geen seconde had ik aan tijdszones gedacht.

Ik besefte dat ik een uur van mijn leven had afgefietst.