#66 thuis

Haar sjaal heb ik bij me gehouden, die ze vergat in Krakow. Ik vond het fijn om erop te passen. Straks doe ik hem om, als ik het vliegtuig uitkom.

Ik vraag me af wie er nog meer op het vliegveld zijn voor mij.

Ik denk aan de fiets, die nu met me meevliegt. Aan alle mensen waar ik iets mee heb gedeeld, de zon, de dode dieren, de blaffende honden, de wolken, aan Tallinn waar ik bijna niets van zag. Het geeft niet. Soms moet je ergens heen om weer thuis te kunnen komen.

Wolken gaan snel onder mij door. Straks ben ik weer in Nederland.

Ik ga mijn tijd goed benutten. Verhalen zoeken. Mensen zoeken. En vinden.

Ik heb ze nodig, de mensen.

#65 toerist

De fiets past niet in de doos.

Met Egle, de vrouw waarbij ik via AirBnB een slaapplek huur, ga ik bij fietswinkels op zoek naar een nieuwe doos. De fiets gaat mee in de auto.

De doos die we uiteindelijk vinden is zo groot, dat ik het eerder losgemaakte voorwiel weer kan bevestigen en de fiets als een geheel in de doos zou kunnen doen.

De doos past alleen niet in de auto.

Ik neem bussen om uiteindelijk weer bij het appartement te komen, met een doos die groter is dan ik. Ik besef me dat ik zes uur lang niks heb gegeten.

Thuisgekomen met de doos zeg ik tegen Egle dat ik morgen de fiets uit haar auto zal halen; ik wil snel naar de bioscoop voor Darjeeling Limited.

Ik weet dat ze het lastig vindt, van de fiets in haar auto, maar ze stemt in.

Ik ren naar buiten, naar de bushalte. Vandaag heb ik alleen nog maar een goede doos gevonden.

Ik voel me geen toerist meer; ik ben alweer onderweg naar huis.

#64 gras

Ik loop met Ingra de ochtend in. Het is nog koud. We lopen langs het huis waar ze is opgegroeid en niet meer woont; ze is nu ook alleen een bezoeker van Tallinn.

Het is vreemd te beseffen dat ze hier de eerste jaren van haar leven woonde onder de vlag van het communisme. Alles voelt hier minder vanzelfsprekend.

Ze brengt me naar de weg die naar mijn slaapplaats leidt. Ik zou graag naast haar willen liggen, op onze ruggen in het gras, dezelfde zon voelen opkomen, praten over vroeger en later.

Ik kus haar op haar hand, omhels haar.

‘Ik voelde me thuis’, zeg ik. Ik vraag me af hoe zij zich voelt.

Terwijl ik verder loop nemen de eerste mensen alweer een bus. Ergens heen.

#63 baard

Ingra kijkt even naar me en lacht zacht; er wordt een baard geknipt in The Royal Tenenbaums. Voordat we de bioscoop zouden gaan bezoeken hadden we het even over mijn baard gehad en je fris voelen.

Alleen snijdt het personage in de film na de knipbeurt zijn polsen open met een scheermesje.

Als de film afgelopen is hebben we het over de film.

Over de baardscène pratend, zegt ze: ‘Je moet alleen het eerste deel doen.’

#62 lucht

Het is mijn laatste tocht. Ik kijk langer naar de wolken dan ik deed.

De auto’s zijn als gedachten die komen en gaan.

Voor en achter mij ziet het donkergrijs. De wolken bewegen snel.

Ik voel dat ik kom waar ik moet zijn, zonder hevige regen, onweer, ongelukken.

Vandaag heb ik een lijntje met de lucht.

#61 ja

Arminas gaat voorop, op onze gehuurde fietsen. Mantas en ik volgen. Arminas is een frivole, goedgemutste, kleine Litouwse jongen; hij kan je aankijken en je ‘ja’ laten zeggen. Tegen bijna alles, dus ook een boottocht naar het eiland Kihnu.

Arminas groet de weinige inwoners van het eiland in het Ests. Hij kent geen schroom. Mantas is rustiger, meer berekenend. Maar met een lach, een gulle lach. Ze liften overal heen, alleen voor deze boottocht naar Kihnu kochten ze kaartjes.

Het eiland verandert niet voor ons; alles gaat hier langzaam en is klein. We krijgen flarden zon voor mooie foto’s. Mantas maakt aanhankelijke wespen onschadelijk.

We vragen ons af hoe lang we op dit eiland zouden kunnen blijven.

‘Niet lang’, zeg ik. Ik zou het gevoel krijgen dat ik tijd aan het verliezen ben. Mantas praat ook alweer over volgende week; over zijn cliënten in de kliniek waar hij als creatief therapeut werkt. Arminas zou zeker wel een week kunnen blijven.

‘De terugweg naar de camping gaan we liften’, zegt Arminas. Mantas en ik twijfelen.

Als we van het eiland afkomen, regent het. Mantas en ik zoeken een schuilplek, maar Arminas schreeuwt en zwaait al naar ons, staand naast een donkere stationcar.

Binnen een minuut na aankomst met de boot zitten we in een Finse auto, op weg terug naar Pärnu. Arminas zit in het midden en praat met het stel dat ons meeneemt.

Mijn linkerhand pakt zijn schouder. Ik bedank hem. Voor de lift, voor vandaag, voor alles.

#60 sjaal

Hoe vaak zie ik wel niet een standbeeld van een voor mij onbekend persoon?

Ik kijk net iets langer naar Lydia Koidula (1843-1886). Haar sjaal vangt wind, ook in steen.

In haar park in Pärnu, waar meer mensen zitten, komt een vrouw mijn kant opgelopen. Ze ziet er deftig uit, met opgestoken, kastanjebruin haar.

Ik vraag haar of ze Engels spreekt. Ze schudt nee.

Ik wijs naar het standbeeld.

‘Poet’, zegt ze, ‘poet.’

‘Ahh’, reageer ik.

Ik doe alsof ik een sjaal omdoe die wind vangt, net als het standbeeld. Ze loopt naar me toe, ik denk dat ze Russisch spreekt.

Ik schrijf het geboorte- en sterfjaar van Koidula op. De vrouw haalt haar schouders op. Ze begint te tellen, wijst naar zichzelf: ‘Sixtyfour!’

Rustig loopt ze weg.

Ik zeg in het Engels dat ze nog veel ouder mag worden.

Verder mag ze precies zo blijven als ze nu is.

#59 eerst

Voordat ik vertrek uit Tuja spreek ik nog even met de Duitse buurman, over gisteren, en hoe hij het weer heeft doorstaan met zijn vriendin en zijn kleine.

Oskar heet hij, zijn kleine.

De regen was nieuw voor hem, zegt zijn vader; niet de regen zelf, maar de regen die tegen de tent kletterde. Hij doet het gezicht van Oskar na. Ik heb het idee dat hij lang en goed naar Oskar heeft gekeken.

Ik zeg dat ik het mooi zou vinden om dingen weer voor het eerst mee te maken, zoals Oskar dat nu doet. Zijn vader zegt, wat haperend, ja.

Misschien denkt hij ook wel aan alle slechte dingen die Oskar voor het eerst meemaakte.

#58 schuld

Het is weer licht geworden op de Baltische Zee, maar kort voordat ik voor het eerst tijdens mijn reis de zee in kon rennen, brak het los; wind, regen, onweer.

Twee mensen gingen toch de zee in.

Ik had graag een van die twee mensen willen zijn, maar dat gevoel was gelukkig ook gauw weer weg.

Ik dacht aan mijn tent, terwijl ik schuilde bij een restaurantje aan het strand.

Ik dacht aan alle spullen in mijn tent. Ik kon niks doen. Ik bestelde vis.

Toen ging ik de inhoud van mijn rugtas na: alle ‘belangrijke’ spullen had ik op mijn rug zitten.

Belangrijk waren: telefoon, geld, muziek, camera.

Toen dacht ik aan alles wat ik geschreven had. Ook dat had ik bij me.

Daarna dacht ik pas aan mijn fiets. Ik voelde me even schuldig, tegenover mijn fiets.

Ik at rustig door; ik wist dat de fiets hoe dan ook de volgende dag gewoon weer voor me klaar stond.

Ik hoop dat papa zijn fiets nog herkent, als we straks terug zijn in Nederland. Ze is een stuk ouder geworden.

#57 rok

Een trolleybus 12 stopte, midden op een grote straat. Er stapte een jonge blonde vrouw uit, met stevige passen. Ze droeg een lange rok met split en slippers. Aan de voorkant van de bus drukte ze op een knop, waardoor de deuren opengingen en twee mensen achter in de bus uit konden stappen. Eén persoon bleef zitten.

Ze trok een fluorescerend geel vest en handschoenen aan en liep naar de achterkant van de bus. De twee stroomafnemers die op de bus lagen, duwde ze met een lange stok omhoog totdat ze weer aan de bovenleiding gekoppeld waren. Terwijl ze op haar tenen stond, scheen nog een kleine avondzon achter op haar linkerbeen.

De vrouw liep terug naar de voorkant van de bus, keek nog even om naar het langskomende verkeer en trok haar vest en handschoenen weer uit.

Toen ging de bus weer verder alsof er niks was gebeurd, samen met de passagier die bleef zitten. En de jonge blonde vrouw met de lange rok en slippers achter het stuur.