Halve zool

‘Die plas daar bedoel je?’, reageerde hij cynisch. Het uitzicht dat meneer Ruys vanuit zijn appartement over IJmeer had, leek mij fijn en meteen een goede ingang voor een gesprek terwijl ik de vaat afdroogde. De stelligheid waarmee hij had geantwoord bracht me echter tot het besef dat hij er niet de man naar was om mooi weer te spelen. Zijn gecondenseerde stem verried tevens een zekere moeheid.

De eerste helft van mijn schoonmaakdienst had ik mij vooral met meneer Ruys bezig gehouden via zijn spullen. Als ik al contact met hem zocht was dat vanuit praktisch oogpunt, ook om de verzorgenden die hem hielpen met het opstarten zo min mogelijk tot last te zijn. Ik werkte om hem heen en nam zijn leefwereld in me op. Alles was netjes gerangschikt, opgehangen, neergezet. Haast museaal. Elegant glaswerk, Dinky Toys, prachtige tabaksblikken. Soms liet ik de stofzuiger aanstaan om niet de suggestie te wekken dat ik andere dingen aan het doen was dan schoonmaken.

De computerkamer, die zich aan het begin van de hal tegenover de voordeur bevond, scande ik in alle rust. Muziek van Bach tot Portishead. Een open kast met boeken over art deco en jugendstil. Een plank daarboven stond werk van vooral Crumb, Bukowski en Hemingway. Ik liet mijn ogen langs de titels gaan. The Life and Death of Fritz the Cat. The Book of Mr. Natural. Pulp. Verhalen van Alledaagse Waanzin. The Old Man and the Sea. Mannen zonder Vrouwen.

Ik dacht aan dat krantenbericht waarin stond dat het aantal scheidingen op IJburg het laatste jaar snel was toegenomen. Aan de verhuur van kamers aan gescheiden ouders. En aan dat scheidingscafé dat werd georganiseerd.

Ik vroeg me af of er ook een café bestond dat gezinnen bij elkaar probeerde te houden.

‘Maar vanaf uw balkon kunt u wel de stad zien’, zei ik. Het uitzicht vanuit zijn appartement, dat zich op een straathoek bevond, beperkte zich gelukkig niet alleen tot IJmeer. Ik hield mijn blik op de stad om mijn stelling kracht bij te zetten.

‘Ja, dat is zo’, zei hij. Ik hoorde aan zijn stemgeluid dat hij zijn gezicht naar mij en het balkon draaide. ‘Ik heb daar mijn atelier gehad. Maar na die beroerte kon ik niet meer terugkeren naar mijn oude huis. Nu ben ik zo’n halve zool dat ik niet eens mezelf meer kan aankleden.’

Hij keek The Weakest Link. Er werden moeilijke vragen gesteld. Hij zat enigszins voorovergebogen in zijn rolstoel. Ik keek naar zijn smalle schouders en dacht aan een meneer Ruys voor en na, een meneer Ruys van in de stad en op IJburg. Ik schatte hem begin vijftig.

‘Schildert u nog steeds?’, vroeg ik hem terwijl ik de laatste plastic bekers afdroogde.

‘Het lukt me niet meer om zoals vroeger te schilderen’, antwoordde hij. ‘En ik wil niet meedoen in zo’n groepje waar je alleen met acrylverf mag werken. Ik kan alleen nog maar abstracte kunst maken.’

‘Is abstracte kunst geen kunst?’, reageerde ik. ‘Het is niet zo makkelijk om dat achter je te laten’, antwoordde hij. Ik zag zijn uitgesproken stillevens voor me die in de lange hal hingen en de kleine schilderingen die hij van zijn dochter had gemaakt, althans ik nam aan dat het zijn dochter was.

Hij liet de tv aan staan, legde de afstandsbediening op tafel en reed langzaam door naar het balkon. Hij kon alleen zijn rechterarm en voet gebruiken. Voor het eerst deze ochtend had ik de mogelijkheid om een langere tijd naar hem te kijken, naar zijn gezicht, maar deed het niet. Ik ging verder met het droogmaken van het afwasrek.

Meneer Ruys stopte voor de deur naar het balkon en keek door het glas naar buiten. ‘Soms zou ik hier vanaf willen springen’, zei hij.

Ik zweeg. Hij had iets intiems en pijnlijks met mij gedeeld, iets waarvoor ik een soort van schaamte voelde. Tegelijkertijd besefte ik dat ik niet in de realiteit van een rolstoel leefde. Ik wrong de gele doek uit en liep naar de opbergruimte voor de benodigdheden om het laminaat te dweilen. Ik vertrouwde op zijn huis en wat ik nog moest doen.

‘Robin, jij werkt niet op de vrijdag toch?’ Ik keek even achterom terwijl ik verder liep. Meneer Ruys had zich naar me toe gedraaid. ‘Waarom is het toch zo lastig voor die thuiszorg om iemand te vinden die twee keer in de week langs kan komen? Ik wil gewoon een vast iemand voor op de maandag en de vrijdag.’

Ik liep terug de open keuken in met de mop en een emmer met laminaatreiniger. We keken elkaar kort in de ogen. ‘Donderdag zou ik wel kunnen,’ zei ik. De vrijdag hield ik open voor mijn scriptie. ‘Donderdag kan ik zelf niet’, zei hij.

Hoewel ik wist dat hij niet akkoord zou gaan, voelde het goed dat hij me vroeg om voor vast te komen werken. Ik dweilde zijn slaap- en aangrenzende woonkamer terwijl hij Discovery Channel keek. Daarna liep ik met een uitgewrongen mop de hal door. Ik keek nog een keer goed naar alles waarmee hij zich omringde.

In zijn computerkamer aangekomen begon ik op mijn hurken onder de open kast te dweilen. Toen ik de hoek omging en aan het einde van de kast omhoog kwam stond ik pal voor het raam. Ik zag het IJmeer en keek naar beneden, de straat in. Het balkon schoot door mijn hoofd. Het was hoog. Hoog genoeg.

Al dweilend liep ik verder door de hal en volgde met mijn mop de legrichting van de vloer. Er klonk geen tv-geluid meer. Ik dweilde in snel tempo verder.

Met de mop in mijn hand kwam ik de woonkamer binnen. Het balkon was leeg. Zijn rolstoel stond bij de tv. Leeg.

Ik hoorde een traag, ritmisch tikken vanuit het slaapkamergedeelte komen, afgewisseld met een slepend geluid. Meneer Ruys liep met een vierpoot de woonkamer binnen.

UWV

voor Sjaak Polak

I

Wie eerst nog voor hem juichten vragen hier

of hij het is. Hij knikt. ‘Het zijn lastige tijden,’

zegt hij, ‘terwijl niemand zo goedkoop is als ik.

Maar als je bent gestopt ga je de kast in,

doen ze de deur op slot. Ben je verleden tijd.’

 

II

Zijn cv leest als een mager jongensboek;

als hij terugkijkt op de werker die hij was

had hij meer moeten gaan liggen, kermen,

eisen, wat slimmer moeten zijn zodat hij

nu eens rustig thuis had kunnen zitten.

 

III

Een loodgieter is hij niet, dat is een vak;

één fout en je zit met de ellende. Toen hij

rende voor zijn geld wist hij wel beter, maar

de markt maakt een schoen die hem niet past.

 

IV

Hij neemt weer naast ze plaats. Krijgt tik

op tik. Hij wordt er wel eens moedeloos van,

maar knikt. Ze vragen steeds of hij het is.

Een soort van perpetuum mobile

We eten samen en haast echt
lijkt de toon waarmee je kiezen spreken
bij de kamer inbegrepen.
Je ontgaat me slecht.

Het huis ruikt verder stil en bovendien
slaapt er vraag naar een vertrek.
Ik heb geen oog voor het bestek en zeg
ik weet niet hoe ik ons kan zien.

Je hebt je knieën naar je hoofd gebracht
bevroedt manieren, liefdes wie weet
hoe hard je nu de tijd verdrijft.

Je zet de vaat gereed
pakt je mond op en zegt zacht
ik wil soms dat je binnen blijft.

Uitzicht

Pak een stoel en kom zitten
je bent op jezelf aangewezen

(zijn lichaam is van ogenblikken
het beddengoed een rechte das).

Ik mag wat naar hem toe bewegen.
Achterham, Friese nagelkaas (zonder korst)

milde shampoo (van Elseve) gekocht
langzaam leg ik zijn armen goed.

Lees zijn post hardop. Reclame, bankzaken
maar alleen het CAK komt tegemoet.

Terwijl de tuin aan zonlicht wint
en ik de uitgedroogde vliegen tel

heeft hij de tv aangekregen;
blaast zichzelf wereld in:

pensioenfondsen, megastallen,
een dictator die zijn dood verdient

niets lijkt nu om het even. Hij zegt:
Laatst heb ik mijn bloemen weer gezien.