#60 sjaal

Hoe vaak zie ik wel niet een standbeeld van een voor mij onbekend persoon?

Ik kijk net iets langer naar Lydia Koidula (1843-1886). Haar sjaal vangt wind, ook in steen.

In haar park in Pärnu, waar meer mensen zitten, komt een vrouw mijn kant opgelopen. Ze ziet er deftig uit, met opgestoken, kastanjebruin haar.

Ik vraag haar of ze Engels spreekt. Ze schudt nee.

Ik wijs naar het standbeeld.

‘Poet’, zegt ze, ‘poet.’

‘Ahh’, reageer ik.

Ik doe alsof ik een sjaal omdoe die wind vangt, net als het standbeeld. Ze loopt naar me toe, ik denk dat ze Russisch spreekt.

Ik schrijf het geboorte- en sterfjaar van Koidula op. De vrouw haalt haar schouders op. Ze begint te tellen, wijst naar zichzelf: ‘Sixtyfour!’

Rustig loopt ze weg.

Ik zeg in het Engels dat ze nog veel ouder mag worden.

Verder mag ze precies zo blijven als ze nu is.

#59 eerst

Voordat ik vertrek uit Tuja spreek ik nog even met de Duitse buurman, over gisteren, en hoe hij het weer heeft doorstaan met zijn vriendin en zijn kleine.

Oskar heet hij, zijn kleine.

De regen was nieuw voor hem, zegt zijn vader; niet de regen zelf, maar de regen die tegen de tent kletterde. Hij doet het gezicht van Oskar na. Ik heb het idee dat hij lang en goed naar Oskar heeft gekeken.

Ik zeg dat ik het mooi zou vinden om dingen weer voor het eerst mee te maken, zoals Oskar dat nu doet. Zijn vader zegt, wat haperend, ja.

Misschien denkt hij ook wel aan alle slechte dingen die Oskar voor het eerst meemaakte.

#58 schuld

Het is weer licht geworden op de Baltische Zee, maar kort voordat ik voor het eerst tijdens mijn reis de zee in kon rennen, brak het los; wind, regen, onweer.

Twee mensen gingen toch de zee in.

Ik had graag een van die twee mensen willen zijn, maar dat gevoel was gelukkig ook gauw weer weg.

Ik dacht aan mijn tent, terwijl ik schuilde bij een restaurantje aan het strand.

Ik dacht aan alle spullen in mijn tent. Ik kon niks doen. Ik bestelde vis.

Toen ging ik de inhoud van mijn rugtas na: alle ‘belangrijke’ spullen had ik op mijn rug zitten.

Belangrijk waren: telefoon, geld, muziek, camera.

Toen dacht ik aan alles wat ik geschreven had. Ook dat had ik bij me.

Daarna dacht ik pas aan mijn fiets. Ik voelde me even schuldig, tegenover mijn fiets.

Ik at rustig door; ik wist dat de fiets hoe dan ook de volgende dag gewoon weer voor me klaar stond.

Ik hoop dat papa zijn fiets nog herkent, als we straks terug zijn in Nederland. Ze is een stuk ouder geworden.

#57 rok

Een trolleybus 12 stopte, midden op een grote straat. Er stapte een jonge blonde vrouw uit, met stevige passen. Ze droeg een lange rok met split en slippers. Aan de voorkant van de bus drukte ze op een knop, waardoor de deuren opengingen en twee mensen achter in de bus uit konden stappen. Eén persoon bleef zitten.

Ze trok een fluorescerend geel vest en handschoenen aan en liep naar de achterkant van de bus. De twee stroomafnemers die op de bus lagen, duwde ze met een lange stok omhoog totdat ze weer aan de bovenleiding gekoppeld waren. Terwijl ze op haar tenen stond, scheen nog een kleine avondzon achter op haar linkerbeen.

De vrouw liep terug naar de voorkant van de bus, keek nog even om naar het langskomende verkeer en trok haar vest en handschoenen weer uit.

Toen ging de bus weer verder alsof er niks was gebeurd, samen met de passagier die bleef zitten. En de jonge blonde vrouw met de lange rok en slippers achter het stuur.

#56 kat

Ik zit in Bar Chomsky, aan de bar. De barman zegt dat Aldis vanaf de opening deze bar al bezoekt.

Aldis is een gedrongen man en heeft een grijze snor. Alle andere mensen hier zijn een stuk jonger dan hij. Aldis verloor dit jaar zijn hond en zijn vrouw. Zijn dochter is in Riga komen wonen, waar hij blij mee is.

Hij heeft nu net de bar verlaten om zijn kat eten te geven. Ik zei hem dat het mooi was dat hij samen met zijn kat is. Hij keek verbitterd: ‘Cat is no wife.’ Aldis verontschuldigde zich meerdere keren voor zijn gebrekkige Engels. We groetten innig voordat hij naar zijn kat terugging.

Ik zeg tegen de barman dat Aldis een aardige man is. De barman zegt dat hij wel eens met zijn vrouw komt, of dat zijn vrouw langskomt om hem mee naar huis te nemen.

Ik vertel de barman dat zijn vrouw overleden is in februari.

Hij schrikt ervan; hij lijkt na te gaan of het klopt.

Dan moet hij weer door met de klanten voorzien van drank.

Cat is no wife. Ik probeer voor me te zien hoe Aldis zijn kat groet, eten geeft.

Ik heb niet echt een reden om naar de camping te gaan. Er is geen kat die mij nodig heeft, of een vrouw die mij binnenroept.

#55 hoofd

Ik liep weer alleen, richting het centrum van Riga. ‘Keep your head up’ las ik op de grond, net voor ik via de grote verkeersbrug de Dvina over wilde steken.

Terwijl ik deze aanmoediging op me in liet werken, besefte ik dat ik vooral het stuk weg recht voor me in de gaten aan het houden was. Maar ik zat niet meer op een fiets.

Ik probeerde zoveel en ver mogelijk om me heen te kijken. Ik vroeg me af wat Jarek op ditzelfde moment zag.

#54 helft

Jarek en ik bereiken de camping in Riga, samen. Het is prachtig om de euforie te delen na een dag ploeteren.

We praten over muziek en drinken om onze zegetocht te vieren.

Jarek heeft zijn vrouw gevraagd om haar lievelingnummers op zijn mp3-speler te zetten.

Eén nummer van The National blijft hem altijd bij; toen hij in Zweden fietste en de hele dag stroef verliep, zette hij zijn muziek op en kwam dat nummer als geroepen.

Ik herinner me, toen ik Jarek ontmoette op de fiets, dat hij mij aansprak met zijn koptelefoon op.

Ik vertel hem dat ik vaak muziek luister, die ik op een begrafenis zou willen draaien. Voor dierbaren, of voor mijzelf. Het voelt gek dat ik dit vertel aan iemand die ik pas anderhalve dag ken.

Morgen gaat Jarek weer verder, ik blijf. We blijven toch vooral vreemden voor elkaar. Maar deze dag is voor de helft van mij en voor de helft van hem.

We delen de rest van de Martinifles.

#53 ver

Met Jarek, een tengere Poolse man uit Gdansk, fiets ik kilometers over zandweg met stenen, steek ik straks de Litouwse grens over, deel ik de weg.

‘Wat zie je als je fietst,’ vraag ik hem.

‘Ik zie vooral niets, maar als ik wat zie, probeer ik zover mogelijk te kijken.’

Misschien komt het door het eentonige Litouwse landschap en de moeilijk fietsbare weg, dat hij dit zegt.

Deze wegen zijn vooral bedoeld voor vrachtwagens, niet voor ons. De paar verloren Litouwse zielen die hier toch fietsen, doen dat met reflecterende oranje hesjes, zodat ze zichtbaar zijn. Voor vrachtwagens.

Wij dragen geen hesjes.

We fietsen naast elkaar. We vertellen elkaar onze ervaringen.

Er wordt soms getoeterd.

We maken het laatste stuk Litouwen zo draaglijk mogelijk.

#52 waarde

Er staan hier veel fietsen, in het fietsmuseum van Šiauliai. Eenwielers, houten fietsen, interbellum fietsen, bmx fietsen, ligfietsen, mountainbikes, wielrenfietsen, spartamet en sovjetfietsen.

In het begin van de twintigste eeuw stond de waarde van een fiets ongeveer gelijk aan die van twee koeien.

Nu bestaan er ook nog fietsen met een waarde gelijk aan die van twee koeien, maar ook met een waarde van een bijzettafel, scheerapparaat, plasmascherm, zomerhuisje of een shot heroïne.

Ik vraag me af wat al die koeien denken die zo doordringend naar me kijken op de foto’s die ik van ze nam. Hoeveel ze waard zijn geworden ten opzichte van mijn fiets, zal ze niet interesseren.

#51 China

De beheerder van de camping praat tegen me als een gids. Ik probeer net zo onbezorgd als hij in de auto te zitten. We rijden terug naar het westen; Jurbarkas is de eerste grotere plaats waar een fietswinkel is.

We halen eerst grote rollen wc-papier en gaan langs bij een reclamebureau dat de promotie doet voor een evenement op zijn camping. Daarna bezoeken we de fietswinkel, die meer weg heeft van een kantoor. We vinden een nieuwe buitenband met de juiste afmetingen.

In de auto vraagt hij of hij de band nog even mag zien.

‘Oh China, everything China. Now hope you will make it to Tallinn.’

Hij laat me de mooie fietsweg langs de rivier zien, die ik heb gemist op weg naar de camping.

‘You lost,’ zegt hij.

Ik vind het niet erg, deze mosterd na de maaltijd. Hij is trots op alle ontwikkelingen; nieuwe wegen, huizen, renovaties, windmolens.

Ik vraag hem nu pas hoe hij heet.

‘Ovidius,’ zegt hij. Een Griekse dichter die schreef over gedaanteverwisselingen. Het past wel bij hem.