#32 beker

Richting het marktplein van Krakow lopend, passeerde ik een man in een rolstoel. Hij droeg een blauwe jas en een bruine broek. Het leek of hij een been miste. Hij had mooi grijs haar en een moedervlek bij zijn slaap. Hij leek op Dennis Hopper.

De man had een bekertje voor zich staan, maar bedelde niet. Zijn hoofd verdween half tussen zijn schouders. Misschien was de dag al vermoeiend genoeg geweest.

Ik stopte tien meter verder. Pakte geld. Liep terug. Bleef uit zijn zicht.

Ik zag het bekertje, keek erin. Ik gaf een veel grotere, zwaardere munt dan degenen die ik zag liggen. De munt landde met goed geluid op de andere munten.

‘Ahh,’ zei hij met een flinke stem. Hij keek op, alsof hij verbaasd was.

Snel liep ik weer richting het marktplein.

#31 poëzie

Ik kreeg een pas voor een dag. Het was rustig in de computerzaal. De vrouw bij de informatiedesk hielp me om alles te vinden over Szymborska. We kwamen erachter dat het werk van een bibliothecaresse belangrijk was.

Ze lachte soms, dan was ze ineens weer ‘de vrouw van de informatiedesk’. Ik dacht aan een gedicht voor haar.

Ik las zoveel gedichten van Szymborska, dat het soms even teveel werd. Ik was blij dat niet elk gedicht direct iets met mij deed, dat ik soms gedichten over wilde slaan.

Soms was het goed om even om mij heen te kijken. Er waren andere mensen die dat ook deden.

#30 gelijk

Het kerkhof was groot en liet tussen haar hoge, volle bomen wat strepen zon toe. De man die de noordelijke poort bewaakte, gaf me een plattegrond: sectie Gd, daar moest ze zijn.

Ik vond het niet, haar graf, in sectie Gd. Liep driftig en geconcentreerd tussen graven door, zag zoveel meer levens voor me dan toen ik nog zonder richting over het kerkhof liep.

Ik liep weer naar de buitenrand. Er stond een vrouw met kort grijs haar, een rugtas en een blauw schort over haar kleren. Ze had een rood emmertje in haar handen, met donker water. Ze vroeg iets. Ik pakte de biografie. Ze ging meteen zoeken.

Ik filmde haar. Ze liep even terug, om te kijken of we echt bij Gd waren.

Toen ze het graf vond, leek ze het fijn te vinden weer te weten waar ze lag. Ze legde haar hand op het graf van Szymborska. Ik maakte een foto en bedankte haar terwijl ze weer rustig wegliep.

Er lag een foto bij het graf. Ze lachte. Ze lag bij haar ouders. Ik dacht aan mijn fietstocht. Aan alle mensen die mij hadden geholpen hier te geraken, aan alle doden en aan de graven naast die van Szymborska in het bijzonder. Ze waren allemaal ongeveer even groot.

#29 Oskar

Er was een Duitse spion die tijdens de Tweede Wereldoorlog eigenaar werd van een fabriek in Krakow, waar de Joodse medewerkers het goed hadden, beter te eten kregen.

In deze fabriek zag ik in een bioscoopzaaltje een documentaire, waarin verschillende medewerkers verhalen vertelden over hun toenmalige baas. Het waren vooral achter elkaar geplaatste lofuitingen. Ik viel in slaap.

Zijn lijst bestond niet in het echt, alleen in de film van Spielberg.

Toch was het verhaal in de kern een vreemd en hoopvol gegeven. Dat was genoeg om buiten het museum nog even bij stil te staan, terwijl de toeristenkarretjes langs reden in de zomerzon.