#19 zwaaien

Het is vreemd hoe snel je went aan de drukke weg, het gebrekkige asfalt, de dode dieren, de snelheid van het verkeer. Polen vergt meer concentratie voor hetgeen pal voor je ligt, voor waar je heen moet. Niet voor waar je langs gaat.

In Kąty Wrocławskie zocht ik langs de hoofdweg de schaduw op en at een banaan. Het vrachtverkeer dat waarschijnlijk ook richting Wrocław moest, begon al toe te nemen.

Ik keek nog even naar links. Een vrouw leunde op haar ellebogen uit een raam. Er lag een lap grond naast haar huis; er stonden verschillende typen grafstenen klaar om gegraveerd te worden. Ik lachte in mezelf.

Ik dacht aan hoe tekens gaandeweg een reis kunnen veranderen.

Na een paar honderd meter te hebben gefietst moest ik in een scherpe bocht naar links uitwijken voor een vrachtwagen. Er ging een vlaag van woede door me heen. Ik dacht aan de Poolse rijstijl, keek op naar de vrachtwagen: MANDERSLOOT, stond op de achterkant.

Probeer niet als een Pool te rijden, foeterde ik in mezelf.

Toch zwaaide ik de vrachtwagen uit.

#18 slapen

Altijd zijn er ergens wel Nederlanders in het buitenland te vinden. Soms waar ik mij ook bevind, zoals hier in Legnickie Pole.

Er is een mooi groot grasveld waarop een grote camper staat. Die is van Marjan en Niels en Goos. Ze komen uit Woerden. Niels is geen prater en lacht mooi. Marjan zet rooibos thee voor mij.

Goos is drie, nieuwsgierig en een babbelaar. ‘Voor de dieven?’ Ja, voor de dieven zet ik mijn fiets op slot.

‘Oh, je bent in de speeltuin geweest. Wat heb je gedaan in de speeltuin?’

‘Gepoept,’ antwoordt Goos.

Marjan en ik praten. Over studie. Over Utrecht. Over een “serieuze baan”. Ik vraag me af wat daar eigenlijk mee bedoeld wordt. Het gesprek is te fijn om dat te bespreken.

Goos wil nog niet naar bed. ‘Tennissen,’ zegt hij tegen papa Niels. Niels pakt een racket. Maar Goos is alweer ergens anders. Ik voel me een beetje zoals Goos.

‘Ik moet nog eten maken,’ zeg ik.

Een paar uur later loopt Marjan terug vanuit de douchegelegenheden. Het schemert.

‘Weltrusten,’ zeg ik van ver. Ze steekt haar hand op.

Ik heb dat lang niet gezegd tegen iemand, weltrusten.

#17 bed

Door Roman zit ik hier, in een kamer op camping Mosir in Bolesławiec.

Roman beveiligt het complex. Ik stond op het grasveld met mijn tent, alleen.

Ik was aan het koken. Roman hoefde niets te eten. Hij vroeg of ik mee wilde komen naar het pand waar ook de douches en de receptie zich bevinden.

Er zijn kamers aanwezig, met bedden.

Hij wilde dat ik hier een slaapplek nam. Hij bleef maar Pools praten, maar ik begreep wat hij wilde.

Ik aarzelde. Mijn spullen, buiten. Hij zei zoiets als, komt goed.

Onder de douche dacht ik aan enge scenario’s die ik ook weer liet gaan.

Ik gaf Roman een zak Lays chips die ik eerder vandaag bij de Carrefour kocht.

Achter de toonbank zag hij er anders uit dan toen ik oog in oog met hem stond bij mijn tent.

De kamer oogt treurig met zandkleur op de wanden, een oud houten bed en een te grote radio van het merk Diora, dat ik niet ken.

Er hangen twee schilderijen in de kamer. Vooral de ene met het meisje en het ijsje laat me niet los. Haar priemende ogen blijven door me heen kijken.

Ik ben moe van de eerste dag Polen.

Ik moet Roman vertrouwen.

Ik doe de deur goed op slot.

#16 tijd

Vanochtend liet ik Chris bij het ontbijt wat gedichten lezen.

‘Ze zijn grappig. En droevig,’ zei hij.

Ashley zat aan een andere tafel.

Gisteren hadden we het in een café met z’n drieën over angst, god en de dood gehad. Ashley was vroeger vooral bang geweest dat god haar geen goed mens zou vinden. Daardoor raakte ze ook teleurgesteld in zichzelf, omdat ze god in twijfel trok. Chris en ik luisterden vooral of stelden vragen, als het over god ging.

Ik moest een goed moment vinden om de dichtbundel aan Ashley te geven.

‘Vanaf pagina twaalf,’ zei ik tegen haar.

Ik zag dat ze las.

Ze lachte, lachte hard.

Ze las het voor aan iemand anders aan haar tafel.

Ik kreeg de bundel terug; ze zou het gaan lezen wanneer ze terug zou komen in Amerika.

Het waren gedichten van Richard Brautigan.

Ik vraag me af om welk gedicht ze precies had gelachen.

Toen iedereen was uitgegeten zat ik nog even alleen in de ontbijtruimte, brood met chocoladepasta te eten.

Ik las nog één gedicht:

 

– the death of time –

 

Someday

Time

will die,

and

Love

will

bury it.

 

Er kwamen tranen in mijn ogen. Ik haalde nog een broodje en zag Ashley nog één keer. Ze was nog wat spullen aan het afruimen.

Ik wilde haar nog iets zeggen, maar liep weer naar mijn tafel.

Ik hoop dat ze goed contact houdt met god.

#15 paard

In Lutherstadt-Wittenberg boekte ik een extra nacht bij een jeugdherberg, nam de dag vrij en ging naar het Lutherhuis.

Eén zin die ik daar op een bordje las, bleef me bij:

Yet Luther does not give up, he simply continues to work like a horse.

Teruglopend naar mijn hostel stuitte ik op een winkel waar ingelijste tegelwijsheden van Luther in de vitrine stonden.

Ik raakte aan de praat met de verkoper, een besnorde man met een paardenstaart, een zwarte bodywarmer, rode trui en een intelligent ogende bril.

Hij legde alle wijsheden uit waar ik naar vroeg.

De verkoper bepaalde op een gegeven moment dat de inhoud van ons gesprek politiek werd. Ik luisterde vooral. Hij schetste een wereldbeeld waarin kernwapens de machtsverhoudingen bepaalden. De tegeltjes waren vergeten.

‘Ik ga er niet teveel aan denken,’ zei ik tegen hem. Ik liep naar hem toe, gaf hem een hand en begaf me naar buiten.

Het beeld van Luther en het paard hield ik nog even levend.

#14 training

De zondag was grijs en de wegen waren rustig. Fietsend richting Drosa zag ik links van mij een voetbalveld. Ik hoorde een luide stem, reed terug en bleef voor het hek staan.

Een man in het rood had acht ballen bij zich en gaf een keepertje in fluorescerend oranje training. De man speelde de bal in of gooide hem hoog op en het keepertje moest naar de bal toestappen, de bal pakken en vanuit zijn handen weer terugschieten.

De man in het rood schreeuwde hem toe als een vader die zelf prof had willen worden.

Het keepertje zwalkte na elke uittrap moedeloos terug naar de doellijn om weer een bal te ontvangen van de man in het rood.

Het leek geen zondag. Voor allebei niet.

#13 bezet

Kort voor ik vertrok vulde ik bij de sanitaire voorzieningen mijn bidons met water.

Er kwam een forse man met kort geschoren hoofd binnenlopen. Hij moest naar de wc. Ze waren allemaal bezet.

Hij vroeg aan mij of ze echt allemaal bezet waren. Soms vraag je gekke dingen als je nodig moet.

‘Ja,’ antwoordde ik. Hij bleef staan.

‘Dan moet je even een meisje worden,’ voegde ik er nog aan toe. Hij lachte wat gebrekkig.

Een meisje ook, dacht ik, niet eens een vrouw.

Ik ging door met het vullen van mijn bidons.

Vanuit de spiegel zag ik hem aarzelen.