Uitzicht

Pak een stoel en kom zitten
je bent op jezelf aangewezen

(zijn lichaam is van ogenblikken
het beddengoed een rechte das).

Ik mag wat naar hem toe bewegen.
Achterham, Friese nagelkaas (zonder korst)

milde shampoo (van Elseve) gekocht
langzaam leg ik zijn armen goed.

Lees zijn post hardop. Reclame, bankzaken
maar alleen het CAK komt tegemoet.

Terwijl de tuin aan zonlicht wint
en ik de uitgedroogde vliegen tel

heeft hij de tv aangekregen;
blaast zichzelf wereld in:

pensioenfondsen, megastallen,
een dictator die zijn dood verdient

niets lijkt nu om het even. Hij zegt:
Laatst heb ik mijn bloemen weer gezien.

bewegen

Ik kwam aan in De Nieuwe Liefde, waar Campert zijn poëzie zou voordragen. De zaal zat al grotendeels vol. Ik ging na hoe goed de plek was waar ik ging zitten; ik zag het scherm, de microfoon, de tafel waaraan hij zou gaan zitten, zijn achterhoofd (vooraan zittend in de zaal).

Ik betrapte mezelf erop dat ik veel naar zijn achterhoofd keek.

We zagen het filmpje Ode aan de traplift. Ik glimlachte en moest slikken. Aan het eind van het filmpje kon ik mijn tranen moeilijk bedwingen. Er zat een man voor mij, verstild. Zijn vrouw (denk ik), links naast hem zittend, zei hem zacht: ‘Mooi, heel mooi.’ De man knikte maar bleef voor zich uit kijken.

Het leek me lastig om 85 te zijn, maar er was altijd nog een traplift. Ook daarin kon dus poëzie schuilen.

Campert liep verschillende malen het podium op en af, ondersteund door de gastheer. De eerste maal nog met wandelstok, later niet meer. Hij droeg gedichten voor, van When we were very young tot Licht van mijn leven. Over deze middag zei hij: ‘Hier kom ik krachtiger uit dan ik erin kwam.’

Ik dacht aan het werk dat ik van hem las, zijn columns. Eén column van hem bewaar ik. De column is blanco. Onderaan de column staat: REMCO CAMPERT IS MET VAKANTIE.

Campert VK 3

Toen ik een paar dagen na het optreden een rondje door de stad liep, schoot me iets te binnen: Remco Campert is altijd onderweg.

Het lijkt alsof Campert constant meereist met de tijd, met wat er om hem heen te vinden is, met zijn eigen lichaam, met het leven zelf. Leven als een bijna onoverwinnelijk werkwoord waarvoor hij woorden zoekt om het toch even te verstillen, te omvatten.

Zijn graf is al besteld, zei Campert in een gesprek voor VPRO Boeken begin 2013. Maar zijn gedichten bewegen zich over de dood heen.

hulp

Op de Wijttenbachstraat bleef ik staan. Bouwvakkers werkten op steigers aan de bovenste verdieping van een reeks huizen. Eén bouwvakker zat op de top van een schuin dakgedeelte waar de pannen nog van afgehaald moesten worden. Ze wachtten op een afvalcontainer die hydrolisch en langzaam naar de bovenste verdieping werd gebracht.

Een bouwvakker liep door een raamkozijn waarachter zich geen kamer meer bevond. Ik wilde nog langer blijven kijken maar voelde me een gluurder.

Terwijl ik de stoep in de gaten hield en fietsers langs me zag gaan, schoof een man in het zwart over de weg, in een rolstoel. Hij reed tegen het verkeer in richting Linnaeusstraat. De man had een trieste maar doortastende blik in zijn ogen. Zijn handen lieten de rolstoel in eenzelfde tempo voortbewegen.

Auto’s weken voor hem uit, pakten de tramlijn in het midden van de weg om langs hem te komen. Er werd niet getoeterd. Het leek alsof hij een afspraak met het verkeer had gemaakt. Langs de stoep liep ik in zijn richting mee.

Toen we de kruising naderden, begon het toch onveilig te voelen de man zijn gang te laten gaan. Ik bleef nog tien meter doorlopen en stak de weg over.

‘Gaat het meneer?’ vroeg ik hem. ‘Kan ik u helpen?’

Hij keek geïrriteerd mijn kant uit, draaide zijn gezicht weer naar de weg en maakte een gebaar met zijn linkerhand. Doorlopen.

Ik liep door. Terwijl ik dacht aan de vragen die ik had gesteld begaf ik me weer terug naar de stoep en stak bij het zebrapad de straat over. Vanuit mijn ooghoek zag ik hoe de man zich van de weg naar de stoep rolde en stopte voor het rood geworden stoplicht.

Toen ik rechtdoor langs het hek van het Oosterpark liep en nog één keer omkeek, was de man al de Linnaeusstraat in verdwenen.

Het verkeer bleef zichzelf regelen. Zonder problemen.

#12 sparen

Het Bikeline boekje, dat een uitgebreide fietsroute en kaart bevat die mij tot ver in Duitsland moet brengen, zet hoog in met de slogan Für Ihr unbeschwertes Radvergnügen.

In het Harzgebergte gaat de vertaling van de platte pagina’s naar de steile en hobbelige fietsrealiteit niet echt gepaard met een vakantiegevoel.

Er zijn momenten dat ik boos word op het boekje.

Als ik boven op de Hahnenberg stilsta, is het boekje gewoon weer het boekje.

De zon voelt warm, de afgrond is diep en het uitzicht ver. Overal zijn dennenbomen. Ik ben de enige hier.

Ik maak twee foto’s van het uitzicht, waarop ik mezelf in de linkerbenedenhoek van de foto probeer te krijgen. Als ik met gestrekte arm op de knop druk, sluit ik mijn ogen en draai mijn hoofd weg van de lens, alsof de camera er niet is.

Mijn fiets tussen mijn benen houdend drink ik flinke slokken uit mijn bidon. Ik pak het boekje van mijn stuurtas en sla de pagina om. Ik besluit na de afdaling de geasfalteerde wegen te nemen en een stuk Harz te omzeilen.

Dit uitzicht komt geen tweede keer. En ik wil mijn fiets en benen sparen.

#11 sensor

Ik stond in de was- en doucheruimte met vier oudere mannen. Iedereen was druk bezig met zijn ochtendritueel.

Mijn Duitse buurman op de camping, die nu ook naast me stond, waste zijn gezicht met Fa.

Hoe jong of oud je ook bent, je moet je wassen.

Ik stond bij de wasbak die zich het dichtst bij de uitgang bevond waardoor ik iedereen in de gaten kon houden.

Alles ging heel mooi langzaam bij de oudere mannen.

Eén man kleedde zich uit in de deuropening van zijn douche tot hij alleen nog in zijn korte broek stond. Daarna liep hij weer zijn douchehokje uit om een muntje in de automaat te doen, die zich heel onpraktisch naast de wasbakken bevond.

Er werd een scheerapparaat rustig langs oude huid gehaald.

Mijn kraan bezat een slechte sensor. Ik poetste mijn tanden en wilde mijn mond spoelen, maar na één seconde ging het water alweer uit. Mijn Duitse buurman sprong bij en hield zijn vinger bij de sensor.

‘Ik ben niet alleen op reis,’ zei ik tegen hem in mijn beste Duits.

#10 hart

Schieben. Ik weet nu wat het betekent. Duwen. Stapvoets met je fiets voortbewegen.

In Nieheim zocht ik even naar de weg op een plattegrond. Er passeerde een oudere man, met een fiets aan de hand en een helm op.

In Nederland zou dat gek zijn, een fietser met een helm. Hier in Duitsland verstandig. De man zag er veelbelovend uit, maar ook iets te zwaar.

Al schiebend, zo benadrukte hij zelf, liep hij langs me richting de dorpskern die dichtbij was maar een stuk hoger lag.

Ik vroeg hem waarom hij niet fietste. ‘Hartprobleem,’ zei hij. Ik kreeg het idee dat hij zijn trots niet wilde verliezen.

‘Ik heb ook een hartprobleem,’ zei ik. Het bleef stil.

‘Maar ik ben goed geholpen,’ vulde ik snel aan.

‘Ik ook,’ zei hij.

Hij vroeg me waar ik heen ging en hoe lang ik al onderweg was.

‘Oh, mooi,’ zei hij. ‘Goede reis nog dan.’ Zijn nuchterheid was prachtig.

Snel hervatte hij zijn schieben.

Vijfentwintig minuten later zag ik een helmpje opdoemen. Het was dezelfde man. Hij had een pittige ronde gefietst.

Toen we elkaar passeerden stak hij zijn hand op. Zijn ogen hield hij op de weg.

#9 genoeg

Tim is dood. Op een pad richting Beelen zag ik zijn portret, bij een boompje, onder een houten kruis. Op de foto had Tim een karper in zijn handen. De karper leek nog net klein en licht genoeg om trots mee te kunnen poseren.

Ik vroeg me af hoe hij hier, langs dit onschuldig ogende pad, zijn dood had moeten vinden. Een gedicht van Szymborska kwam in mijn hoofd, over toeval.

Tim is niet weg. Dat zag ik aan de stenen die bij de gedenkplaats waren neergelegd, waar stukjes tekst op waren geschreven voor hem. Ik maakte er twee foto’s van nadat ik om me heen had gekeken. Ik vond het niet erg om de foto’s te maken.

Een uur nadat ik bij Tim was gestopt zag ik langs een drukkere weg een gedenkplaats voor René. Maar ik had genoeg even, van de dood.

#8 vallen

Deze zin van Buddy Wakefield (uit zijn boek Live for a Living) bleef me bij vandaag:

I’m no longer interested in watching you rise from the fall you keep taking in vain just for a reason to stand

Nadat ik die zin las, pakte ik voor het eerst mijn mp3-speler die ik speciaal voor deze reis van mijn vrienden kreeg.

Terwijl ik In my Time van Kurt Vile luisterde, schoot deze regel mij te binnen:

Het is niet dat ik niet wil winnen vandaag

Daar ga ik nog iets mee doen, dacht ik.

#7 nut

Op de fiets dacht ik aan Paul. Ik weet niet meer waar, waarschijnlijk heeft dat met elkaar te maken. Ik denk voor mijn gevoel nog geregeld aan een ‘Paul voor’ of een ‘Paul na’.

Hij was heel attent toen ik bij hem was en dacht met mij mee over hoe ik mijn reis het beste kon voortzetten (reserveketting, opladers, het blikje cola in de ijskast niet vergeten). Zo is hij altijd geweest, attent.

Maar er is ook een hoop veranderd.

Ik besefte dat hij nooit eens in een gekke bui op de fiets kan stappen of snel verbaal contact kan maken wanneer er nood aan de man is.

Ik dacht aan het gesprek dat ik had met Pauls vader toen Paul even weg was. Hij zei: ‘Paul kan zoveel meer, maar hij vindt dat hij zich niet meer nuttig kan maken.’

Ik zag Paul voor me, die eerste dag dat ik met hem meeging; caviahokken verschonen op de zorgboerderij, witte kool uit de tuin in zakjes doen van 500 gram, taarten bakken.

Voordat we de laatste nacht dat ik bij hem was gingen slapen, vroeg ik hem naar zijn werk en of hij zichzelf ook weer ‘iets’ met zijn studie of computers zou zien doen.

Hij wist het niet; zei dat hij zichzelf te langzaam vindt gaan. ‘Misschien later,’ voegde hij eraan toe.

Ik kwam tot de conclusie dat hij veel vaker denkt aan een ‘Paul voor’ en een ‘Paul na’.

Ik liep naar zijn bed, gaf hem een hand. Ik was blij dat ik bij hem kon blijven slapen en met hem was meegegaan naar zijn werk en naar de fitness.

Het was goed en nuttig geweest. En veel meer dan dat.

#6 rust

Langs de weg richting Wesel moest ik stoppen. Ik zag prachtige bloemen, zoals ze in tuinen van mensen staan die van hun tuin hun hobby hebben gemaakt. Alleen was dit een begraafplaats.

Het was een zaterdag waarop mensen kennelijk graven en de bijbehorende tuintjes onderhielden; er werd aan minstens vier rustplaatsen gewerkt.

Er lagen veel ‘Lubbersen’ en ‘Scholtens’. Ik keek op twee bordjes die bij de ingang stonden. Op de linker stond:

Wahret die würde des Friedhofs und beachtet die Friedhofsordnung.

Op het andere bord werd met afbeeldingen duidelijk gemaakt dat er op de begraafplaats niet mocht worden gefietst, gereden met een auto of motor en dat er niet door de hond gepoept mocht worden.

Er stond nergens dat de begraafplaats er uit moest zien zoals hij eruit zag.

Nog één keer keek ik naar de bossen rode rozen. Ik zag een oudere vrouw, in het lichtblauw gekleed met spierwitte haren. Met haar rollator liep ze rustig weg bij een graf. Bij iemand.